10 dingen die elke verpleegkundige herkent

1. De: ‘Ik ben zo bij je terug’

Als je eenmaal even rondloopt in het ziekenhuis (of een andere zorginstelling, denk ik), leer je dat je deze zin niet moet gebruiken. Ik heb het laatst nog gebruikt bij een patiënt. Het was een relatief rustige dag en ik dacht dat de drukte van de gang mij niet zou opzuigen. Fout gedacht. Eén stap op de gang en het was al raak. Aan de overkant kwam er bezoek een kamer uit gelopen. Of ik even ergens naar kon kijken op die kamer. En terwijl ik naar de overkant van de gang liep, kwam er een collega naar mij toe om te vragen of ik een infuus kon prikken. Eenmaal klaar op de kamer en onderweg naar de verbandkar om een verbandje uit te pakken. Het geen waarvoor ik de kamer had verlaten, ging er een patiënten bel. Tien minuten later was ik terug op de kamer en zat het infuusje prikken alweer in mijn hoofd om te gaan doen.

2. Je hoofd is nooit leeg

Zoals hierboven genoemd heb je altijd wel iets in je achterhoofd om te doen. Is het niet je hele to-do lijst afwerken van die dienst, dan is het wel een roosterprobleem oplossen omdat er een zieke is, je werkmail bijwerken (want, wanneer heb je daar tijd voor) of aan je werkgroepen zitten

3. De marathon lopen

Niet letterlijk natuurlijk. Dat is denk ik nog een grotere prestatie dan 5 nachtdiensten achter elkaar werken. Maar tijdens een dienst loop ik mijn benen uit mijn lijf. Ik denk dat ik op werk altijd wel rond de 10.000 stappen loop, behalve natuurlijk wanneer het rustig is. Vaak doen mijn voeten zeer van al het lopen en zie je aan het einde van de dienst mijn sokken in mijn enkels staan.

4. Vrolijk zijn in je nachtdienst.. op werk

Oh wat vervloek ik mijzelf hier soms om. Ik word wakker na mijn nachtdienst en ben knap chagrijnig. Er is geen land met mij te bezeilen. Het enige wat ik kan is Netflix kijken en eten, want ik heb geen energie. Maar dan gebeurd er iets magisch. Ik stap op mijn fiets richting werk en opeens op werk heb ik energie. Ik lach, kan honderd uit vertellen en maak grapjes met mijn collega’s. Meestal maken we dan grapjes over hoe we thuis hebben lopen zeuren en hoe onredelijk we zijn geweest, terwijl we nu zo goed in ons vel zitten.

5. Afspraken maken met je vrienden

Als ik vraag aan een vriendin om een afspraak te maken, kijken we meestal al een maand verder. Onregelmatig werken is leuk voor de onregelmatigheidstoeslag, maar daar houdt het ook bij op. De weekenden dat ik vrij ben zijn er maar twee in een maand en deze zijn vaak al helemaal vol gepland. Het wordt trouwens nog erger als ik met een collega wat wil plannen, dan moeten we vaak al drie maanden verder kijken.

6. Je patiënten naar het toilet brengen, maar het zelf vergeten

Rond het middageten bedenken wanneer je voor het laatst het geplast, terwijl je ondertussen al je patiënten uit bed hebt gehaald, naar het toilet hebt begeleidt en hebt gedoucht. Eenmaal op het toilet aangekomen tel je uit dat je ongeveer zes uur niet geplast hebt en aan de kleur van je urine te zien kan je ook wel iets meer vocht binnen krijgen. Oeps.

7. Super snel je maaltijd naar binnen werken

En wanneer het dan eindelijk avondeten pauze is en jij je lekkere opwarmmaaltijd of prakje van thuis hebt opgewarmd, moet je het maar snel naar binnen werken om ervoor te zorgen dat je het nog warm kan opeten. Sommige collega’s nemen al brood mee. Het is eigenlijk te gek voor woorden, maar in de pauze kunnen wij vaak niet op ons gemak zitten, want altijd belt er wel een patiënt. En deze bellen zijn ook terecht. Een infuus wat omgezet moet worden omdat de antibiotica om een exacte tijd gegeven moet worden, iemand die benauwd is, iemand die vragen heeft, familie die wat wilt weten, of iets anders wat niet even kan wachten. En om die reden schuif je het maar snel naar binnen toe, want dan heb je tenminste nog wat voeding gehad. Voordat je hangry wordt..

8. De DOS uitvragen, maar zelf niet weten welke dag het is

Dit overkomt mij best vaak. Op het moment dat ik de delier observatie score (DOS) uitvraag bij een patiënt, moet je onder andere ook vragen welke dag het is. Als de patiënt dan bijvoorbeeld op de woensdag zegt dat het woensdag is, maar jij net twee dagen vrij bent geweest, dus het aanvoelt als een maandag en jij daardoor niet meer weet welke dag het is, kan je beter de DOS bij je zelf afnemen, dan bij de patiënt.

9. De meest vieze verhalen vertellen onder het eten

In geuren en kleuren kan ik aan de eettafel vertellen wat ik die dag gezien heb. Van geslachtsdelen tot de consistentie van de ontlasting en van bloederige verhalen tot het omschrijven van de meest vieze wonden. Ik kan het aan, mijn niet-ziekenhuis vrienden niet. Mijn moeder al helemaal niet. Die trok vroeger al wit weg als ik vertelde dat ik een naaldje had ingebracht bij een patiënt.

10. Het oefenen op je vrienden en familie

Kom op, dit doen we stiekem toch allemaal? In mijn leerlingen tijd had ik een setje meegenomen om bloed af te nemen. Trots vertelde ik dit op mijn verjaardag. Je kan je dus al voorstellen dat mijn moeder zich distantieerde van de situatie, maar mijn beide oma’s bode zich aan. Hiervan heb ik geleerd hoe het is om bloed te prikken, maar ook heb ik geleerd dat je altijd moet vragen of iemand anti-stolling gebruikt (ik was dit even vergeten), want anders wordt het wel een erg bloederig geheel.

En zo kan ik misschien nog wel even doorgaan. Heerlijk vind ik dit. Maar realiseer je alsjeblieft wat ik hier zeg, dat dit klopt. De werkdruk is hoog, we worden overvraagd en zijn soms een beetje de weg kwijt. Maar aan de andere kant gebeurd dit allemaal ook niet dagelijks. Het gaat om de balans, toch?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: