Klinisch redeneren: Het bleef maar bloeden

Klinisch redeneren: Het bleef maar bloeden

Het was weekend en het leek een best wel fijne dag te worden. Mijn collega en ik moesten rekening houden met een nieuw opgenomen patiënt. Hij was in de avonddienst gekomen vanuit de periferie na een operatie aan de tong. Een deel van zijn tong was vorige week op onze afdeling operatief weggehaald omdat daar kanker in zat. Je tong is een van de meest doorbloedde organen en om deze reden is een nabloeding ook een reële complicatie. Deze meneer had thuis al fors gebloed, was toen naar een ziekenhuis in de buurt gebracht met de ambulance, maar die durfde het niet aan om hem op te nemen. Als hij weer zou gaan bloeden hadden ze niet de juiste expertise en instrumenten in huis. Dus werd hij naar onze afdeling gebracht.

Het team waar mijn collega en ik op stonden vandaag lag behoorlijk vol, maar het was zaterdag, dus alles kon wat rustiger aan. De arts komt later visite lopen, enkel spoedoperaties worden verricht en spoed onderzoeken. Dit betekent dat de patiënten meestal na zeven uur in de ochtend nog even kunnen dutten en dat niet alles snel snel snel hoeft. Heerlijk vind ik dat. Nog lekkerder vind ik de zondag werken, want dan ken je de patiënten van de zaterdag nog en kan alles nog een tikkeltje meer rustig aan. Deze meneer wilde ook uitslapen had mijn collega mij verteld. Ik was nog niet binnen geweest op de patiëntenkamer van meneer en was een andere patiënt aan het helpen. Deze andere patiënt had net een totale laryngectomie gehad. Hierbij bevestigen de chirurgen de luchtpijp aan de hals. Hierdoor ontstaat er een eindstandig stoma waar de patiënt door ademt. Deze operatie wordt gedaan om de kanker in bijvoorbeeld het strottenhoofd weg te halen. De patiënten die deze operatie ondergaan vinden hierna douchen meestal wel eng. Je ademt als het ware door een gat en hier mag geen douchewater in komen, want dan verdrink je. De patiënt waarbij ik stond had al een keer zelfstandig gedouched, dus durfde het wel aan. Ik zou zijn bed afhalen en opnieuw opmaken, terwijl hij onder de douche stond. Als er wat was, was ik dichtbij. Maar dit plan liep anders dan verwacht.

Ik had nog maar net de lakens van het bed gehaald of de bel van de opname van gisteren avond gaat af. Ik dacht in eerste instantie dat hij wakker was en wilde gaan douchen. Maar nee. Eenmaal in de kamer aangekomen zag ik een bloedspoor van het bed naar het toilet. Dit is ongeveer drie a vier meter. Om de 30 centimeter lag een dikke druppel bloed. De patiënt hing boven het toilet. Beide handen aan de beugels die naast het toilet hangen, het bloed wat uit de mond spoot en de badkamer die ook onder het bloed zat. Het was een niet zo’n fraai gezicht. Gelijk drukte ik mijn persoonlijke alarmknop op mijn pieper in, de assistentie bel aan de muur en ging ik meneer helpen. Hij was niet duizelig, goed aanspreekbaar en dacht dat het beter zou zijn om op het toilet te bloeden dan in bed. Ik wilde meerdere dingen gelijk doen en hierin neem ik jullie mee aan de hand van de ABCDE-methode. Op mijn instagram had ik jullie al gevraagd wat je bij welke stap dient te doen. Eerst zal ik jullie antwoorden delen (in totaal hebben er steeds rond de 75 mensen gereageerd, dus de antwoorden zijn gebundeld), hierna vertel ik het verhaal en als laatste laat ik weten wat er volgens de ABCDE-methode allemaal gedaan moest worden.

De antwoorden van instagram

Airway

  • Is de luchtweg vrij?
  • Manier van ademen
  • Hoorbare ademhaling
  • Controleren op een snurk of stridor
  • Manier van zitten bij een bloeding
  • Obstructie
  • Stand van de trachea
  • Zitten er dingen in de mond (corpus alienum) / mond inspectie

Breathing

  • Ademhaling
  • Is er zuurstof nodig
  • Saturatie
  • Frequentie van de ademhaling
  • Gebruik van hulp ademhalingsspieren
  • Cyanose
  • Stridor

Circulation

  • Bekijk de bloeding
  • Wat is de hartslag
  • Wat is de bloeddruk
  • Circulatie
  • Hoeveel bloed is er verloren
  • Capillaire refill
  • Hoeveel infusen hebben we
  • Afnemen van kruisbloed
  • ECG maken

Disability

  • Botbreuken
  • Bewustzijn
  • Mobiliteit
  • Neurologische toestand
  • Hersenen
  • EMV, AVPU score
  • Bloedsuiker
  • Pupil PEARL score
  • Reactie

Het verhaal

Bij binnenkomst in de badkamer wilde ik direct tranexaminezuur op het bloedende gedeelte doen. Ik wist dat het bloed uit de mond kwam, maar ik wist de exacte focus niet. De patiënt kon zijn mond open doen en het spoot vanaf zijn rechter zijde. Ik had in de badkamer niets voor handen, dus duwde ik mijn hand met handschoen en handdoek in de mond. Mijn collega’s reageerde vrij snel op de assistentie bel. Hierdoor kon ik de andere handelingen die ik wilde doen ook verrichten. Ik weet niet meer wie wat deed, maar er werd een rolstoel gehaald om de patiënt van het toilet naar het bed te rijden, er werd ijs gehaald om in de nek te doen, tranexaminezuur om dit op gazen te doen die in de mond konden, de dienst doende arts werd gebeld door een collega en een andere haalde het controle apparaat. Bedenk dat wij deze dag maar met vier gediplomeerde verpleegkundige werkten en één leerling. Allemaal hebben we iets gedaan, in zo’n korte tijd en heel snel.

Toen meneer op bed lag, hebben we gelijk het bed in een zittende houding ingesteld en konden we met de controles die bekend waren een algeheel beeld bepalen. Het fijne was dat ik het idee had dat ik het juiste plekje in de mond te pakken had. Ik kon gericht de wond stelpen. Het bloed spoot nog steeds langs mijn hand, in het bekkentje onder zijn mond. De zuig kon het zuigen soms niet meer aan en verstopte in het bloed. Ik denk dat mijn collega om de paar minuten een bekertje water aan mij moest geven, zodat ik de zuig door kon spoelen. De tensie was iets van 85/45, een pols rond de 110 en een saturatie van 95%. Meneer was niet benauwd, leek niet te aspireren in zijn bloed en kon nog ademen door zijn neus. Voor de lage bloeddruk belde we het SIT team. De KNO-arts was onderweg van huis, maar we vonden het allemaal wel een fijn idee als er nog iemand mee keek. Ze zouden er aan komen. Tevens dacht ik aan nog een infuus. Over het infuus van meneer liep tranexaminezuur IV en met de lage tensie moesten we meneer wel gaan vullen. Hij had geen cardiale voorgeschiedenis, dus ik durfde dit eigenhandig te beslissen.  Hiernaast hebben we gelijk wat buisjes bloed afgenomen. Met zo’n bloeding weet je zeker dat er packed cells gegeven moeten gaan worden. Om te bepalen welke packed cells de patiënt mag gaan krijgen is er kruisbloed nodig.

Het bloed zocht de weg van de minste weerstand op en dat is ook de neus. Het leek even te zijn gestopt, net op het moment dat het SIT team binnen kwam. Meer dan wat wij gedaan hadden, konden zij niet doen. Meneer was voor alsnog stabiel, bloeding leek gestopt en de tensie kroop iets op. Nog geen paar minuten later begon het weer heftig te bloeden. Uitzuigen, afdrukken, tranexaminezuur gazen, coldpack in de nek. We deden alles wat we konden. Voor de zekerheid sloten we een non-rebreathing masker aan, voor ondersteuning. Een zak van 500cc werd in 30 minuten toegediend. De tranexaminezuur IV liep ook in. De KNO-arts was inmiddels aangekomen en we moesten naar de OK toe. Het werd een spoed operatie.

Ik kon niets anders bedenken dan op het bed te klimmen. Het afgelopen half uur was ik immers de bloeding aan het afdrukken. Ik wist waar ik moest drukken. Daarnaast zat ik toch al onder het bloed, zat ik er goed in en wist ik ook waar ik moest zuigen. En niet het onbelangrijkste.. meneer en ik konden goed met elkaar communiceren. Ik leek steeds te begrijpen wat hij bedoelde en hij kon mijn vragen steeds beantwoorden. We maakten de patiënt klaar voor vervoer. Een draagbare zuig, zuurstof, nog meer tranexaminezuur gazen, intubatie set voor de nood en het broodje van het SIT team ging mee. Een broodje is een mobiel controle apparaat. Het bloed begon te golven uit de mond en neus. Het zuurstof kapje kwam vol te zitten. Ook dit moest ik uitzuigen. Ondertussen was ik op het bed gaan zitten, met mijn sokken aan en mijn klompen nog op de vloer. De rest maakte meneer verder klaar voor transport. En daar reden we. Richting de operatie kamer. De verkoever sloegen we over, we hielpen met zijn alle meneer op de operatie tafel en op mijn sokjes kon ik terug lopen naar de afdeling.

De volgende dag mochten we meneer halen van de PACU. Dit is de post anesthesie afdeling. Meneer herkenden ons nog. Hij had het goed overleefd en had er geen complicatie aan overgehouden. De dag erna vroeg hij aan een collega of zij diegene was die op het bed was komen zitten. Ik werkte een avonddienst en liep naar binnen. Ik vertelde hem dat ik diegene was. We hebben gepraat over de situatie, hij leek alles bijzonder mooi te vinden, we hebben alles doorgenomen en elk stapje besproken. Het deed mij goed. En hem. En de volgende dag, toen meneer naar huis toe mocht, liet hij mij vol trots zien aan zijn zoon. Hij kon maar niet begrijpen dat ik met mijn hand in zijn mond zat, tegelijkertijd kon zuigen en het niet erg vond om in mijn witte pak op het bed met bloedvlekken te kruipen.


De ABCDE-methode


Airway (Ademweg)

  • Inspectie van de mondholte
    • Waar komt de bloeding van aan?
    • Zitten er stolsels in de mond?
    • Is er een ademweg obstructie?
  • Luisteren naar de ademhaling
    • Hoor ik de ademhaling
    • Is de patient hees?
  • Bij de inspectie voel je de lucht uit de mond komen
  • Om de ademweg vrij te houden wordt er uitgezogen
  • Uit voorzorg wordt er een intubatieset meegenomen
  • Het bed in zithouding zetten

Breathing (oxygynatie en ventilatie)

  • Welke kleur heeft de patiënt? Cyanose?
  • Hoe is de ademhalingsbeweging? (luisteren, tellen en voelen)
  • De IC-arts luisterde naar de longen van de patient
  • Voor de zekerheid gaven we wat zuurstof
  • Saturatie in de gaten houden

Circulation (circulatie)

  • Huidskleur?
  • De bloeding hoort hieronder (uitwendig zichtbaar bloedverlies)
  • Zijn de halsvenen gestuwd?
  • Wat is de capillaire refill?
  • De IC-arts luisterde naar het hart
  • De bloeddruk en pols werd gemeten. Bloeddruk aan de lage kant, pols was hoog.
  • Bloedingen werden gestelpt met eerst een handdoek en daarna tranexaminezuur gazen
  • Tweede infuus werd geprikt
  • Kruisbloed (bloedgroep, antistoffen) werd afgenomen
  • Extra vocht werd toegediend
  • Tranexaminezuur IV werd toegediend

Disability (bewustzijn en neurologische uitval)

  • Maximale EMV. Continu aanspreekbaar geweest
  • Pupillen hadden geen afwijkingen
  • Glucose werd niet gecontroleerd (geen diabeet, geen aanwijzingen voor: behandeling eerst wat dood / treat first what kills first)

Exposure (omgeving)

  • Dit betreft de huidafwijking van de wond na de operatie (verwonding)
  • Geen zwelling zichtbaar
  • De temperatuur werd gemeten en gaf geen bijzonderheden
Blog serie vpk-studenten uitval 3/3

Blog serie vpk-studenten uitval 3/3

Blog 3: Ik stop ermee

‘Kan je even de datascoop pakken en langs alle patiënten van de afdeling gaan?’ werd mij gevraagd in mijn eerste stage week op een verpleegafdeling van een groot academisch ziekenhuis.

Ik was net leerling en zo gemotiveerd om een goede verpleegkundige te worden. En ik was zo blij dat ik was aangenomen in het ziekenhuis wat mijn eerste keuze was. Maar op dit moment werd het even zwart voor mijn ogen.

‘Wat is een datascoop?’ Vroeg ik.

Verkeerde vraag.

Ik werd aangekeken alsof ik dom was en de verpleegkundige die mij begeleidde zei: ‘Als je dit niet weet, dan kan je beter je spullen pakken en terug gaan naar school. Ik denk dat jij nog niet klaar bent om stage te lopen in een ziekenhuis.’

Oh wat hakte die reactie erin. Ik ben van nature best onzeker. Tijdens mijn stages hiervoor vond ik het altijd best eng om een handeling te doen. Ik ben het type wat eerst een paar keer meekijkt, dan even oefent, dan de handeling uitvoert in de praktijk en het na een paar keer te doen, het daarna pas alleen doet. Door deze reactie voelde ik mij niet goed genoeg en dit heeft mij deze hele stage achtervolgt. Dit betekent dat ik hierdoor een half jaar lang onzeker was over mijn eigen handelen.

Ik moet zeggen dat ik deze stage sowieso niet als prettig heb ervaren. Er werd van mij verwacht dat ik na een paar weken al een eigen kantje kon draaien. Dit waren ongeveer zes tot acht patiënten. Drie weken zijn negen diensten. Dit betekent dat ik in negen diensten van het begrip datascoop naar de coördinatie van zes patiënten toe moest groeien. Onmogelijk. Zeker voor een derdejaars leerling die net om het hoekje komt kijken in de ziekenhuiswereld.

Ik had mijn baantje in de thuiszorg en bij de Albert Heijn opgezegd om mij volledig te kunnen focussen op mijn duale baan. Ik voelde veel verantwoordelijkheid. Er kwamen immers hele zieke mensen naar het ziekenhuis en tijdens mijn dienst was ik als de dood dat ik een fout maakte. Dit maakte mij gek en hierdoor dacht ik maar aan één ding. Ik wilde stoppen met de opleiding. Het ging op school heel goed, maar deze stage vond ik vreselijk. En dat wat ik deed op stage, dat was immers mijn toekomstige baan, toch?

Tijdens deze stage heb ik geleerd voor mijzelf op te komen en mijn grenzen aan te geven. Ik wilde niet zo snel de verantwoordelijkheid over alle patiënten hebben, maar wilde het op mijn tempo doen. En dit tempo was ook het tempo van school. Na gepraat te hebben met mijn vriendinnen van de opleiding, en wederom mijn moeder, besloot ik te gaan praten met mijn stagebegeleider van deze afdeling. Dit gesprek had een hele nare sfeer en ik voelde mij totaal niet gehoord. Ik denk dat dit de rode draad van mijn stage periode was. Het duurde trouwens ook ongeveer zes weken voordat ik durfde te praten. Dit betekende dat ik al enkele weken in hun ogen ‘niet goed’ functioneerde, omdat ik niet mijn zes tot acht patiënten kon coördineren.

Er werd niets gedaan met mijn gevoel en mening. Dus ik schakelde de instellingsdocent van de hogeschool Rotterdam in. Deze docent vond het ook opmerkelijk hoe er met ons leerlingen werd omgegaan op de afdeling. Hij sprak de regie verpleegkundigen hier op aan, nam het voor mij op tijdens beoordeling en uiteindelijk heb ik na een half jaar de stage met hakken over de sloot afgerond. Ik vond het verschrikkelijk om een zes op mijn cijferlijst te hebben voor het geen wat ik later op een dagelijkse basis, als mijn beroep, moest uitoefenen.

Mede doordat ik de stage maar net gehaald had, en zeker door de negatieve feedback die ik dagelijks te horen kreeg, dacht ik dat ik het nooit zou bereiken om een goede verpleegkundige te zijn. Ik zag mijn toekomst nog steeds somber in en zag dit alles als falen.

Gelukkig moet je als duale student na een half jaar ruilen van afdeling binnen het ziekenhuis. In het tweede halfjaar van mijn derde leerjaar kwam ik op de Snijdende Oncologische Groep van het Daniel den Hoed. Hier werden ook hoofd en hals patiënten opgenomen en geopereerd. Ik vond de zorg waanzinnig leuk en kreeg in de eerste weken leuke en opbouwende feedback. In de eerste weken was ik stil, durfde ik maar weinig en hield ik mij op de achtergrond. Voor de mensen die mij kennen, weten zij dat dit niets voor mij is. Na die eerste weken kon ik door de complimenten die ik kreeg mij wat losser gedragen. Mijn begeleider viel dit op en ging met mij in gesprek. Ik vertelde over mijn nare ervaring op de vorige afdeling. Haar mond viel open van verbazing. Zij vertelde mij juist dat zij mij al eigen patiënten wilde geven omdat het zo goed ging.

Alles ging opeens 360 graden de andere kant op. Ik werd gewaardeerd, was onderdeel van een team, mijn collega’s hadden vertrouwen in mij en ik overzag alles wat ik deed. Ik had zelf vertrouwen en durfde steeds meer zelf op te pakken. Oh wat ben ik blij dat ik heb doorgezet. Een mindere stage maakt je in de toekomst geen mindere verpleegkundige. Ik denk dat je hier alleen maar van leert.

Blog serie vpk-studenten uitval 2/3

Blog serie vpk-studenten uitval 2/3

Blog 2: Welke uitdaging?

In mijn tweede jaar mocht ik stage lopen in de thuiszorg. Dit was echt een super leuke en ook leerzame stage. Doordat je in de thuiszorg de routes alleen loopt, had ik al snel veel verantwoordelijkheid. Ik mocht zelfstandig routes lopen na het afronden van bepaalde toetsen. Zo had ik mijn eigen route die op een kwartiertje bij mijn huis vandaan was. Ideaal. De collega’s waren ook aardig en de routes dat ik mee liep met een verpleegkundigen waren altijd leuk. Ik denk dat ik het creatief nadenken echt in de thuiszorg heb geleerd.

Maar op een gegeven moment zag ik de uitdaging niet meer. De routes waren dag in en dag uit hetzelfde en als leerling deed ik meer de ‘makkelijke’ routes, dan de complexe routes. Ook werd ik vaak ingezet bij cliënten die psychosociale zorg nodig hadden. Dat was erg makkelijk, aangezien ik toch een stagiaire was die zij maar een klein loontje gaven. En of ik nou mee liep met een collega, of de psychosociale zorg bood aan een depressieve patiënt, voor hen was dat het zelfde. En met de – toen al – tekorten in de zorg was deze keus snel gemaakt. Dit resulteerde in elke week vier uur doorbrengen met deze depressieve patiënt. Met de makkelijke routes en de zorg voor deze patiënt, zag ik de uitdaging niet meer. Waar deed het nog voor? Een stage was toch om van te leren? Waarom kon ik dat dan nu niet doen?

Tevens is de verpleegkunde opleiding gewoon erg zwaar. Veel stof om te leren, moeilijke toetsen en tegelijkertijd ook nog stage lopen. En, naast dat stage lopen had ik ook nog een baan bij de Albert Heijn als broodmedewerker. Ik begon mij af te vragen welke uitdaging ik nog had en of ik überhaupt ooit mijn duale plek zou krijgen die ik zo graag wilde met geen enkele ziekenhuis ervaring. Ik zag de uitdaging niet meer in mijn stage en dacht dat het misschien wel beter was om te stoppen met de opleiding.

Dit laatste besprak ik toen nog niet met iemand. Ik wilde eerst die uitdaging aanpakken. Want ik dacht als ik weer uitdaging heb, dan vind ik de opleiding waarschijnlijk ook weer leuk om te doen. En dat zou betekenen dat ik dan niet meer wilde stoppen met de opleiding. Ik besprak dit met mijn werkbegeleider van de stage instelling en deze snapte mij deels. Ergens vond ze dat ik zelf de uitdaging moest creëren. Helemaal met haar eens, maar toen snapte ik haar niet. Ik had wel uitdaging gecreëerd als ik wist hoe dit moest, maar hier liep ik dus op stuk.

De werkbegeleider nam mij toen mee naar complexere casussen. Zo weet ik dat wij een man bezochten met een diepe ulcus die dagelijks verzorgd moest worden, waarna er ook nog compressief gezwachteld werd. Ik had nog nooit zo’n grote wond gezien. Dit was indrukwekkend. Hiernaast nam zij mij mee met haar taken. Zij was HBO Verpleegkundige en werkte deels op kantoor en deels in de wijk. Het administratieve gedeelte op kantoor vond ik ook erg ingewikkeld en een ver van mijn bed show. Maar zij dacht dat ik het wel leuk zou vinden als ik hier het een en ander over te weten zou komen, dus legde zij mij dit uit. Als laatste brachten we complexiteit aan bij de depressieve patiënt. Naast een depressie had zij ook pleinvrees. Het kwam vaak voor dat ik in de vier uur dat ik bij haar was, ook nog boodschappen moest doen. Simpelweg omdat zij dat niet durfde. Samen met mijn werkbegeleider maakte ik een plan om deze cliënt uit huis te krijgen. Het begon met het voorstellen, praten over haar angsten, haar ondersteunen en begrip geven. En het eindigde met een wandeling door de straten van Rotterdam. De blijdschap bij de cliënt gaf mij zoveel voldoening. Ik wist niet dat dit mogelijk was.

Ik denk dat je als leerling niet het gehele plaatje overziet. Je weet niet wat er allemaal gedaan moet worden als verpleegkundige, of überhaupt binnen een organisatie. Hierdoor kijk je maar dicht bij jezelf als het gaat om nieuwe dingen oppakken. En dit is meer dan logisch. Soms heb je een zetje nodig van een gediplomeerd verpleegkundige die jou kan vertellen waar de uitdagingen liggen. Juist door dit bespreekbaar te maken en een plan te maken waardoor je werkzaamheden weer uitdagend worden, vind je dan weer plezier in je stage. En eerlijk, in mijn werk als senior-verpleegkundige vind ik geen enkele dag saai. Ik kan dagelijks nadenken over moeilijke casussen, het verlenen van psychosociale zorg en bijdragen aan kwaliteitsverbetering op de werkvloer. Soms zit de kunst in het niet gelijk oordelen en niet te klein te denken. Ook in vragen om hulp en vroegtijdig aan de bel trekken.

Blog serie vpk-studenten uitval 1/3

Blog serie vpk-studenten uitval 1/3

Blog 1: Ik kwam huilend thuis

Ik was in tranen op het moment dat ik de sleutel in het slot draaide. Gelukkig was mijn moeder thuis. Niets is zo fijn als dat wanneer je een hectische dag hebt gehad, je dit kan delen met iemand. Mijn moeder kon vroeger wanneer ik thuis kwam altijd luisteren naar mijn verhalen, zolang er maar geen bloed of andere enge dingen in naar voren kwamen. Ik vloog mijn moeder in de armen en de eerste minuten kon ik niets anders doen dan snikken. Mijn moeder vroeg al snel wat er aan de hand was.

Ik weet dit moment nog zo goed. Het was in mijn eerste jaar en de eerste stage periode van de HBO-V. In deze periode moesten we een half jaar stage lopen, waarvan de eerste weken fulltime waren. Ik zag veel. Ik hoorde veel. Ik nam alles in mij op. En dit eiste zijn tol. Er gebeurde zo veel op de gesloten psychogeriatrische afdeling en alles raakte mij. Ik dacht over alles na en vond dingen die ik zag zo heftig.

De mensen die stervende waren, niets meer voorstelde en enkel in bed konden liggen. Dag in dag uit moesten we deze mensen wassen. Zij hadden een heel leven gehad. De oorlog meegemaakt (en soms meerdere). Vaak kinderen op de wereld neergezet en eindigde zo. Stil, alleen, in een bed in een deprimerende kamer. Elke ochtend werden ze gewassen en elke dag telden ze waarschijnlijk af naar het moment dat ze weer mochten gaan slapen.

De mensen die dementeerde en volledig in het verleden leefde. Je zag ze over de gang lopen, op zoek naar huis moeder. Huilen omdat ze de afdeling niet af konden. Want, ze moesten de trein halen om naar een broer of zus te gaan. Maar, die broer of zus was allang overleden. Die mensen leefde in het verleden en hun dagelijkse zorgen waren de zorgen van jaren terug.

De familie die één keer in de week a twee weken langs kwam omdat zij ook een druk leven hebben met het gezin, of andere zorgen. De mensen wachtten een hele week op het bezoek en keken hier naar uit, maar waren een uur na het bezoek al weer vergeten dat het bezoek was geweest. En zo begon het uitkijken naar het bezoek weer opnieuw.

Of dan de echtgenoot van iemand met dementie. Hoe verdrietig was dit dan. De mensen herkenden hun echtgenoot niet meer, terwijl hij/zij zoveel liefde stak in het bezoeken van de patiënt en soms dagelijks kwam. Wat moet dat veel pijn doen.

De casussen grepen mij zo erg aan dat ik na mijn eerste week dus huilend thuis kwam. Mijn moeder begreep het, aangezien zij vroeger een keer een vakantie baan had gehad in een verzorgingstehuis en dezelfde casussen daar had gezien. Ik vroeg mij af waarom ik voor deze opleiding haf gekozen en hoe ik dit kon afronden. Ik zat in mijn eerste jaar. Ik had er pas een half jaar opzitten en ik moest nog een half jaar deze stage afmaken. Maar hoe? Toen gaf mijn moeder het mooiste advies wat zij ooit kon geven aan mij. In haar woorden zei ze: ‘Maaike, probeer dan het zonnestraaltje voor deze patiënten te zijn. Neem het verdriet weg, maak een grapje. Probeer het te relativeren voor de patiënt.’

Dit advies nam ik ten harte. De weken daarna praatte ik honderd uit tegen de vrouw die elke dag op bed gewassen werd en zag ik af en toe een glimlach op het gezicht van deze vrouw.

Ik ging naast de dementerende vrouw zitten en sprak met haar over het verleden. Over haar broers en zussen, haar moeder en maakte een levenslijn. Van de geboorte tot het punt waar zij nu is, op de gesloten afdeling. Deze levenslijn werkte ik uit in een boek en dit boek nam ik dagelijks met haar door. Geweldig vond zij dit. Op sommige plekken had ik foto’s geplakt die ik van haar familie had gekregen.

En met de familie die langs kwam maakte ik een praatje over de afgelopen weken, hoe deze man uitkeek naar het bezoek, er zo van genoot op het moment dat ze er waren, maar het ook weer zo snel vergat. Maar dat dit wel zijn lichtpuntje was. De familie heeft soms niet door hoe eenzaam de mensen zich kunnen voelen en dit gaf voor hen wat inzicht in de gevoelens van hun vader, opa en overgroot opa.

En de echtgenoot van de man met dementie.. Ik nam foto albums met haar door over vroeger. We praatte over het beroep van haar man, hun trouwdag, hun huwelijk, de kinderen en soms kon meneer zelfs meepraten. Hoe blij hij dan was als hij wat herinnerde en mee kon praten.

Het huilen zette zich om in succesverhalen. In verhalen waarin een lach zat, verdriet uitgesproken kon worden en ik durfde te handelen naar wat ik de juiste zorg vond. Zorg waarin de patiënt centraal staat, met zijn of haar achtergrond en normen en waarden. Ik denk dat ik deze stage heb leren te genieten. Ik denk dat ik deze stage heb geleerd de zonnige kant in te zien bij de verdrietige casussen. Maar, dit heeft voor mij ook een half jaar geduurd.

Help! Heb ik (of mijn collega) een burn-out?!

Help! Heb ik (of mijn collega) een burn-out?!

Het zijn meestal vrouwen van mijn leeftijd. Jong. In de bloei van hun leven. 1 op de 3 jonge medewerkers komt oververmoeid thuis na het werken in de zorgsector. 1 op de 8 jonge medewerkers in de zorg heeft ervaring met een burn-out(1). Dit is toch te gek voor woorden, zoveel zorgverleners die last hebben van oververmoeidheid of een burn-out. Ik werk in een team van ongeveer 30 verpleegkundigen, waarvan er zeker 20 wel ‘jong’ zijn. Dit zou betekenen dat 2 a 3 verpleegkundigen een ervaring zou hebben met een burn-out. In 2017 heeft de zorgsector zelfs voor 43,2 miljoen euro uitgegeven aan de zorg voor burn-out (over alle sectoren verspreid), dit komt overeen met 0,14% (!) van de totale uitgaven aan zorg voor psychische stoornissen(2).

Hoe komt dit aantal en dit percentage zo hoog? De eerste aanleiding kan zijn dat de personeelstekorten in de zorg steeds meer op lopen(1). Andere factoren zijn de percepties van werkstress en de verschillende coping mechanismen die medewerkers hanteren. Daarnaast staat het omgaan met de dood van patiënten, de perceptie van de medewerkers over de ziekte van de patiënten ook in relatie met een burn-out(3). Als laatste kunnen psychologische factoren ook een rol spelen. Er is hier veel onderzoek naar gedaan, zo hebben Duarte en Pinto-Gouveia gesuggereerd aan de hand van een vragenlijst, dat verpleegkundigen die het fijn vinden om anderen te helpen, meer empathische gevoelens en compassie voor anderen in nood lijken te hebben. Zij worden minder gestoord door negatieve gevoelens die horen bij het zien van het lijden van anderen en zijn meer medelevend. Verpleegkundigen die meer vatbaar zijn voor burn-out en ‘compassion fatigue’ (wordt hieronder uitgelegd) zijn meer zelf veroordelend en hebben meer psychologische inflexibiliteit(4).

Okay, genoeg wetenschappelijke weetjes, want wat betekenen al deze begrippen eigenlijk, welke begrippen heb je en wanneer kan je spreken van een burn-out? Ik neem je mee in deze wereld:

  • Compassion Fatigue

Compassie is: ‘Het bewustzijn van de zorg van anderen samen met een verlangen om dit te verlichten’ . Vermoeidheid wordt beschreven in de vorm van lichamelijke of geestelijke uitputting. ‘Compassiemoeheid’ treedt op wanneer verpleegkundigen een afnemend empathisch vermogen ontwikkelen doordat zij continu worden blootgesteld aan het lijden van anderen (5).

  • Overspannen

Als je het overzicht of de grip op de situatie verliest en je klachten krijgt waardoor je je dagelijkse bezigheden niet meer goed kunt doen, dan ben je overspannen(6). Thuisarts omschrijft dit heel goed, want indien je overspannen bent, heb je last van de volgende drie dingen:

1) U heeft tenminste 3 spanningsklachten zoals:

  • moeheid
  • onrustig slapen
  • prikkelbaar zijn (snel boos of geïrriteerd)
  • niet tegen drukte of lawaai kunnen
  • gemakkelijk huilen
  • piekeren
  • een gejaagd gevoel
  • moeite uw aandacht erbij te houden (concentreren) en/of dingen te onthouden (geheugen)

2) U heeft het gevoel dat u de vele problemen in uw leven niet meer aankunt. U voelt zich machteloos, alsof u geen grip meer heeft op uw situatie. Alsof u de controle over uw leven verliest.

3) Het lukt u niet meer om uw dagelijkse bezigheden goed te blijven doen. Bijvoorbeeld op uw werk, thuis, in uw contacten of in het verkeer.

Daarnaast kan iemand die overspannen is, als reactie daarop, soms ook lichamelijke klachten krijgen, zoals:

  • lichamelijke moeheid (elke stap is teveel)
  • hoofdpijn
  • duizeligheid
  • pijn op de borst
  • hartkloppingen
  • maagklachten of buikpijn
  • Burn-out

Burn-out kan worden gedefinieerd als fysieke, psychologische en emotionele uitputting, depersonalisatie en een laag gevoel van persoonlijke prestaties(7).

Indien de overspannen periode langer dan een half jaar duurt, heb je een burn-out. De lichamelijke klachten van overspannenheid kunnen ook bij een burn-out tevoorschijn komen(6).

Dus al je collega veel slaapt en laat weten nog steeds moe te zijn, opeens boos en geïrriteerd reageert, in huilen uitbarst, piekert en/of een gejaagd gevoel heeft, probeer eens in gesprek te gaan. Als je deze symptomen bij jezelf herkent (en je dit belemmerd in je dagelijks leven) zou ik als ik jou was een bezoekje doen aan de huisarts. Die kan de situatie het beste overzien.

1.        Schrier M. Veel burn-outs onder jonge zorgmedewerkers: ‘Soms is het nodig om even egoïstisch te zijn’ | AD Werkt | AD.nl [Internet]. 2019 [cited 2019 Dec 19]. Available from: https://www.ad.nl/ad-werkt/veel-burn-outs-onder-jonge-zorgmedewerkers-soms-is-het-nodig-om-even-egoistisch-te-zijn~a9b3fad3/?referrer=https://www.google.com/

2.        Overspannenheid en burn-out | Volksgezondheidenzorg.info [Internet]. [cited 2019 Dec 19]. Available from: https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/overspannenheid-en-burn-out

3.        Harrad R, Sulla F. Factors associated with and impact of burnout in nursing and residential home care workers for the elderly. Acta Biomed [Internet]. 2018 [cited 2019 Dec 19];89(7-S):60–9. Available from: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/30539935

4.        Duarte J, Pinto-Gouveia J. The role of psychological factors in oncology nurses’ burnout and compassion fatigue symptoms. Eur J Oncol Nurs. 2017;28(2017):114–21.

5.        Peters E. Compassion fatigue in nursing: A concept analysis. Nurs Forum. 2018;53(4):466–80.

6.        Ik ben overspannen | Thuisarts [Internet]. [cited 2019 Dec 19]. Available from: https://www.thuisarts.nl/overspannen/ik-ben-overspannen#wat-is-overspanning

7.        Friganović A, Kovačević I, Ilić B, Žulec M, Krikšić V, Grgas Bile C. Healthy Settings in Hospital – How to Prevent Burnout Syndrome in Nurses: Literature Review. ACTA Clin Croat [Internet]. 2017 Jun [cited 2019 Dec 19];56(2):292–8. Available from: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/29485797

Mijn visie op zorg (en die van de patiënt)

Mijn visie op zorg (en die van de patiënt)

Protocollen zijn er om nageleefd te worden, richtlijnen om ons aan te houden. Maar, tussen die regels door, kunnen we zelf die leegte invullen op een manier zoals wij dat graag zien. Of zoals ik dat graag zie. Want, wat ik de best mogelijke zorg vind, kan mijn patiënt toch echt zien als zorgverlening die niet in zijn straatje past. Wat mijn collega ziet als verschrikkelijke zorgverlening, kan ik misschien wel gepast vinden. Iedereen is anders. Iedereen heeft een ander normen en waarden pakket gekregen.

Bij mij op de afdeling heb ik er soms moeite mee dat bepaalde patiënten ervoor kiezen om wel een operatie te ondergaan. Dan bedoel ik niet een simpele operatie, maar een grote operatie. Met grote gevolgen en een hoog risico. Dit zijn autonome mensen. Die ziek zijn en kanker hebben. En dus zelf een keuze mogen maken over wat zij de beste behandeling vinden. Maar soms denk ik dat de gevolgen van de behandeling zo groot zijn, dat de kwaliteit van leven afneemt. En soms denk ik, dat als ik in hun schoenen had gestaan, ik misschien die keuze niet gemaakt zou hebben. Misschien had ik ervoor gekozen om niet op een aantal maanden extra te hopen door een grote ingrijpende operatie en te genieten van de laatste maanden die ik dan had. Zonder een ziekenhuisopname voor de operatie, zonder dat ik door de operatie kwaliteit van leven inlever. Maar wat is kwaliteit van leven? En laten we wel eerlijk zijn. In de meeste gevallen snap ik de patiënten helemaal, en zou ik hetzelfde doen. Ik denk dat we allemaal wel zo’n casus kunnen bedenken als ik net beschreef.

En dan de andere kant op. De zorg verlening. Ik heb een aantal jaren geleden een leerling gehad die aan mij vroeg het een driewegkraantje op een infuus moest worden gedraaid. Dit is een relatief simpele handeling, waar wij als verpleegkundigen niet echt over na denken. Routine werk. Ik zou het kraantje op de infuuslijn draaien, als die er hangt. En dan het kraantje laten vollopen met de infusie vloeistof. Als deze niet gekoppeld zit aan het infuus. Ik denk in het kader van patiënt vriendelijkheid (niet aan het lichaam sjorren) en kostenbewust (de middelen gebruiken die je toch al hebt). Dit legde ik deze leerling uit. Die vroeg het vervolgens aan mijn collega en mijn collega vertelde hem dat het heel simpel was. Je gebruikt een flush. Dit is een kant en klare infusiespuit met 0,9% NaCl. Met deze spuit kan je zo het driewegkraantje doorspuiten en hierna aan het infuus koppelen. Deze collega dacht in termen als makkelijk (niet hoeven wachten op een infuus wat doorloopt in het kraantje) en patiënt vriendelijk (wederom niet aan het lichaam sjorren). De leerling wist niet wat de beste optie was, dus legde beide opties voor aan een andere collega. Die vroeg waar het driewegkraantje voor nodig was. Deze dacht in eerste instantie aan, ook het kostenplaatje en effectieve zorg. De zorg leveren die de patiënt moet krijgen. Het driewegkraantje was wel degelijk nodig, om een ander infuus op aan te sluiten. Iets was toen nog niet op de infuuslijn zelf kon. Tegenwoordig hebben we gelukkig lijnen waarbij dit wel kan. Al met al. Het driewegkraantje was nodig en de leerling had twee opties gehoord. De derde optie was nog niet gegeven door de derde collega. Die vroeg juist: ‘maar wat zou jij doen?’. De leerling moest denken en zei: ‘Dat weet ik niet’. Ik voegde mij bij het gesprek en vertelde tegen de leerling dat het mij niet uitmaakte, zolang hij zijn standpunt maar goed kon uitleggen. De leerling ging het driewegkraantje bevestigen en mijn collega’s en ik praatte over onze waarden en visie van zorgverlening. Wat zo’n klein dingetje wel niet kan veroorzaken.

Dat normen en waarden pakket begint al bij de geboorte, wanneer je geboren wordt met jouw specifieke DNA wat er voor zorgt dat jij bepaalde dingen belangrijk vind. Denk aan orde, overzicht of juist gezelligheid en sociaal contact. Hierna gebeurd er iets magisch. Onze ouders/verzorgers laten ons op de manier opgroeien die zij het beste achten. En in deze manier zitten normen en waarden geweven. Zij vinden dingen. Je mag niet stelen, lief zijn voor je medemens en geen snoepjes aannemen van vreemden. Deze dingen vertellen zij aan jou en als kind neem jij deze waarheid aan. Dan komt wat later de maatschappij. De dingen die je ziet, die je meemaakt, educatie, vrienden en familie. Zij vinden ook dingen. Het wordt jou verteld en ze laten het je zien. In hun handelen. Op verjaardagen, tijdens afspraken, in de klas of tijdens een vergadering. De dingen die jij ook belangrijk acht neem je mee. Jij vormt jouw eigen normen en waarden. En met dit mooie pakket kever jij de beste zorg. De beste zorg in jouw ogen.

De meeste zorginstellingen hebben een visie. Meestal gericht op de laatste maatschappelijke veranderingen en de patiënt. De visie representeert de richting die een instelling op wilt. Het Erasmus MC heeft nu een visie geschreven voor 2023. Deze heet koers 23. Hier zal ik je niet meer over vertellen, tenzij je dit heel graag wilt weten.. dan mag je mij een berichtje sturen 😉 Maar waarom is die visie belangrijk? Het geeft sturing aan de processen binnen een ziekenhuis. Van een aanmelding bij een poli bezoek tot ontslag na een klinische opname. Hoe dienen de verpleegkundigen (en andere zorgverleners) om te gaan met de patiënt. Volgens die visie.

Dus het is enkel belangrijk binnen de organisatie of instelling? Uhm, nee. Ik denk van niet. Jouw persoonlijke visie is gebaseerd op jouw normen en waarden. En jouw missie. Hoe komt het dat jij de zorg bent ingegaan? Wilde je enkel zo graag ‘mensen helpen’ of zit er meer achter die gedachten?

Als ik terugdenk aan het afstuderen op de middelbare school, was het voor mij meer dan logisch om met mijn natuur en gezondheid profiel de gezondheidszorg in te gaan. Verloskunde was mijn eerste keus, maar uiteindelijk werd het verpleegkunde en hier heb ik tot de dag van vandaag geen spijt van. Een goede school uitkiezen deed er in mijn tijd minder toe. Ik ging naar de dichtstbijzijnde hoge school en dat was die van Rotterdam. Vroeger wilde ik al dierenarts worden, maar ik vond het aspect van praten toch wel fijn. Dat lukt niet echt met dieren. Om die reden wilde ik het ziekenhuis in. Zorgen voor baby’s leek mij leuk. En de zorg voor de ouders. Uiteindelijk begreep ik na mijn eerste stage waarom ik de zorgverlening zo leuk vond. Ik vond het mooi. Ik kon wat meegeven aan de patiënten, hun familie en naasten. Iets wat niet iedereen kan. Ik kom zo dicht bij de mensen in de buurt, hoor en zie dingen die misschien de beste vrienden geen eens weten of mogen zien. Ik kan de mensen steunen in de moeilijkste tijden en tijdens het sterven nog een mooie tijd meegeven of het lijden verlichten. Wat is er nou mooier dan dit te kunnen doen? Er op deze manier voor jou patiënten er te zijn. Dit maakt dat ik in de verpleging wilde en nog steeds wil blijven.

Mijn visie is dus gericht op humane zorg. Zorg die gericht is op de patiënt. Het uitvragen van behoeften, mij aanpassen en iedereen als gelijke benaderen. En niet enkel de patiënt, maar ook familie en naasten. Hiernaast vind ik wetenschappelijke onderbouwing, nadenken over je handelen en dit kunnen uitleggen aan je collega’s heel belangrijk. Het leren van elkaar en hiermee de best mogelijke zorg leveren. En natuurlijk zijn er nog meer dingen, zoals gezelligheid met je collega’s, en noem maar op, maar dit zijn de eerste dingen die mij nu te binnen schieten, dus zal dit wel het belangrijkste zijn.

Heb jij hier wel eens dieper over nagedacht? Wat maakt dat jij in de ochtend je bed uit stapt en zin hebt om te gaan werken (of juist niet)? Hoe komt het dat jij gemotiveerd bent om goed werk af te leveren. En wat is dan dat goede werk? Past deze visie die jij hebt wel binnen het team waarin jij werkt? Binnen de organisatie? En heb je het hier wel eens over met je collega’s? Zoveel vragen. Ik ben benieuwd en hoop dat ik jou tot nadenken en misschien wel tot het realiseren van bepaalde inzichten heb gezet!