Slapen en rusten tijdens, in en na je nachtdienst

Slapen en rusten tijdens, in en na je nachtdienst

Slapen en rusten in je nachtdienst. Een interessant, een super leuk en soms wat minder leuk onderwerp. Voor nachtdiensten draai ik mijn hand niet om. Ik vind het prettig om ze te werken. Het is rustig op de afdeling; patiënten hoeven niet weg voor onderzoeken, er wordt geen visite gelopen en in de zusterpost is het geen kippenhok. Heerlijk. Aan de andere kant kan het ook druk zijn in de nacht. Bij een acute situatie ben je maar met twee andere verpleegkundigen. Dat maakt dat je niet even een andere verpleegkundige makkelijk om hulp kan vragen. Soms werken verpleegkundigen zelfs alleen in de nachtdienst. Dit komt bijvoorbeeld op woongroepen, in de thuiszorg of in verpleeghuizen voor. Stel je voor.. dan heb je dus ook niemand om mee te praten en te sparren.

Als ik mijn nachtdiensten reeks in ga, slaap ik bijna nooit voor. Ik slaap uit, draai mijn nachtdienst, komt thuis en meestal na 24 uur wakker te zijn geweest ga ik weer slapen. Dan slaap ik vaak van negen uur tot zes uur in de avond. Dit lijkt lang, maar ik ben dan tussendoor geregeld en soms ook wat langer wakker. Mijn slaap is minder diep en ik word minder uitgerust wakker dan wanneer ik in de nacht slaap en overdag werk. In tegenstelling tot mijn verpleegkundige collega’s ben ik een goede slaper in de nachtdiensten. Moet je je dan voorstellen hoe zij zich moeten voelen! Mijn fitbit geeft meestal zeven gemaakte slaapuren aan. Dit betekent dat ik dus twee uur in totaal wakker lig. Mijn collega’s geven aan soms maar vijf uur te slapen, of minder, of een paar uur en dan een paar uur wakker en dan weer een paar uur. Ik was benieuwd wat het effect van nachtdiensten op slaap is en ben in mijn nachtdienst even PubMed ingedoken voor wat interessante artikelen. Hiernaast heb ik ook op mijn Instagram wat rond gevraagd over slapen en rusten in je nachtdienst. Per vraag kreeg ik ruim 750 reacties. Deze resultaten zal ik natuurlijk ook delen!

Ben je benieuwd naar hoe laat en wat je moet eten in je nachtdienst? Klik dan hier.

Nachtdienst en doorslaap problemen

Wisselende diensten zorgen ervoor dat de slaapduur, slaapkwaliteit en werk efficiëntie en werkprestaties negatief beïnvloeden.  In de studie van Chang et. al. (2019) hebben 191 verpleegkundigen vragenlijsten ingevoerd die in dag-, avond- en nachtdiensten werkten. Van deze verpleegkundigen hadden de verpleegkundigen die dag- en avonddiensten werkten een regelmatige cycli van rust activiteiten op de werkdag dan de nachtdienstverpleegkundigen. Verpleegkundigen in nachtdiensten hadden een grote slaapfragmentatie. Dit betekent dat zij meer doorslaap problemen hadden. Zij ervoeren dan ook een slechtere slaapkwaliteit en opmerkelijk hierbij was dat zij ook nog eens een lager activiteitenniveau hadden op hun werk (1)!

Op Instagram stelde ik: ‘Ik vind dat ik voldoende slaap als ik nachtdiensten werk.’. Van de gene die geantwoord hadden, heeft 31% maar het gevoel dat hij of zij voldoende slaapt in de nachtdiensten reeks.

Ik ben verder niet in gegaan op het activiteitenniveau, want dat is op Instagram op een objectieve manier niet helemaal goed uit te vragen. Om deze reden stelde ik: ‘Als ik nachtdiensten heb, dan heb ik minder concentratie.’’. Zelf heb ik tijdens mijn nachtdiensten geen moeite met mijn concentratie. Toen ik nog studeerde, maakte ik in de nacht verslagen en opdrachten. Ik had hier echt geen moeite mee! Sommige collega’s daarentegen kunnen dit niet en vinden het fijner om een laagdrempelige film/serie te kijken of gewoon de hele nacht te kletsen (dit laatste kan ik trouwens ook wel hoor, haha). Op Instagram werd aangegeven dat 70% van de stemmers minder concentratie heeft tijdens een nachtdienst. Zo veel mensen!

Nachtdienst en melatonine

Dat verpleegkundigen hun hele ritme omgooien en dat dit slecht is voor het lichaam, is niets nieuws. Het is nou eenmaal zo dat verpleegkundigen die in de nacht werken minder daglicht blootstelling hebben en hierdoor een lagere melatonine spiegel dan de dagdienstverpleegkundigen. Het is onderzocht dat een betere afstemming van de wisselende diensten zorgt voor een minder verstoorde melatonine ritme (2). Van groot belang dus om een paar nachten achter elkaar te draaien in de maand in plaats van meerdere weken in de maand nachten te draaien!

En wat dan als je zo’n nachtenreeks hebt gedraaid? Je hebt denk ik drie opties. Optie een is dat je niet gaat slapen na je nachtenreeks en als het ware nog een keer ongeveer 24 uur lang wakker bent voordat je gaat slapen. Deze optie is voor mij echt een no-go. Optie twee is dat je bij thuiskomst toch nog even lekker je bed in duikt en maximaal vier uur slaapt. Optie drie is dat je gewoon meer dan vier uur kunt slapen en in de avond ook gewoon weer in slaap valt. Ik stelde op Instagram: ‘Als ik de nachtdienst uit kom, slaap ik maximaal vier uur.’. Dit is ongeveer 50-50. Ikzelf slaap meestal tot 14:00 a 15:00 ‘uit’, waardoor ik rond 22:00 weer moe genoeg ben om naar bed te kunnen. Naja, ik ben als ik wakker word ook nog moe hoor. Maar ik weet dat als ik later dan 15:00 wakker word, dat ik in de avond niet meer in slaap val.

Nachtdienst en dutjes

Huanhuan et. al (2019) hebben een systematic review uitgevoerd om onderzoek te doen naar dutjes in de nacht wanneer verpleegkundige nachtdiensten draaien. In totaal werden 22 onderzoeken geïncludeerd. Hieruit kwam naar voren dat veel verpleegkundigen in de nachtdiensten dutjes doen, terwijl hier eigenlijk geen duidelijk beleid voor is. Opmerkelijk dat hier geen duidelijk beleid voor is, want een dutje doen heeft positieve uitkomsten. Zo is het gunstig voor het welzijn van verpleegkundigen en kan hun psychomotorische waakzaamheid en prestaties verbeteren. Helaas is het bewijs voor het verminderen van slaperigheid en vermoeidheid onvoldoende.. daarnaast staat het dutten ook voor een grote uitdaging, aangezien het niet overal geaccepteerd wordt. Deze systematic review laat zelfs weten dat managers verpleegkundigen dutjes moeten laten doen in de nachtdienst (3). Ik zeg zeker wel ja hierop, haha.

De reacties op Instagram vond ik heel erg grappig. Ik stelde als eerst: ‘Ik mag in de nachtdienst een dutje doen van mijn baas.’. Maar 20% mag een dutje doen. De volgende stelling was: ‘Ik doe soms een dutje in de nacht tijdens mijn nachtdienst.’. Oeh, 31% gaf aan dit te doen. Dit betekent dat 11% waarschijnlijk een dutje doet, terwijl dit eigenlijk zwart op wit gezien niet mag!

Maar, hoe zit dat dan met een dutje voor de nachtdienst? Het zo genoemde voorslapen. Ik denk dat dit voor ieder van ons verschillend is. Net zo als het aantal uur slaap voor een uitgerust gevoel per individu verschillend is, is dat het voorslapen ook. De stelling op Instagram was: ‘Voordat ik mijn nachtdiensten reeks in ga, probeer ik de nacht ervoor zoveel mogelijk uren te slapen’. Ongeveer 65% probeert voor dat zij de nachtdienst in gaan, nog wat extra uren slaap te pakken.

Nachtdienst en herstel dagen

De randomized controlled trial van Shu-fen et. Al (2013) onderzocht het aantal herstel dagen dat verpleegkundigen nodig hebben om hun slaapkwaliteit te herstellen tot het niveau van dagdienst verpleegkundigen. De slaapkwaliteit van 30 dagdienst verpleegkundigen en 32 nachtdienst verpleegkundigen werd beoordeeld. Met behulp van slaapdagboeken en slaapparameters werden gegevens verzameld op werkdagen en vrije dagen. Op werkdagen had de nachtdienst verpleegkundigen significant minder totale slaaptijd (TST) op dag 5 en significant lagere slaapefficiëntie (SE) op dag 3 dan de dagdienst verpleegkundigen. De TST’s van de twee groepen op vrije dagen waren hoger dan die op werkdagen. Op de 4e opeenvolgende vrije dag suggereren hogere TST en een toename van SE dat de nachtdienst verpleegkundigen hun slaapkwaliteit had hersteld tot het niveau van de dagdienst verpleegkundigen op hun vrije dagen. De SE van de nachtdienst verpleegkundigen overtrof die van de dagdienst verpleegkundigen na de 4e opeenvolgende vrije dag, hoewel het verschil niet statistisch significant was. Op basis van deze gegevens wordt aanbevolen dat nachtdienst verpleegkundigen een periode van minimaal 4 dagen vrij moeten hebben na 5 opeenvolgende nachtdiensten en minimaal 5 dagen vrij als het personeel dat eerder nachtdiensten heeft gewerkt een set van verschillende diensten krijgt toegewezen (4).

Niet gek dus dat bij deze stelling: ‘Ik voel mij na een goede nachtrust na mijn nachten reeks weer volledig opgeladen.’, maar 36% aangaf dat zij dan volledig opgeladen zijn. Vandaag is de dag dat ik ongeveer 10 uur heb geslapen nadat ik gisteren de nacht uit ben gekomen. Op deze dagen heb ik altijd lichte hoofdpijn, voel ik mij traag en heb ik eigenlijk nergens zin in. Ik ben dan echt nog niet volledig opgeladen.

Op Instagram stelde ik: ‘Ik word uitgerust wakker na mijn eerste nachtdienst’. Dus je draait je eerste nachtdienst, je slaapt overdag én daarna word jij uitgerust wakker. Nou, ik niet hoor. Hoe goed ik ook slaap.. Hoe beter ik slaap, hoe minder kans ik heb op hoofdpijn en prikkelbaarheid, maar ik ben eigenlijk altijd wel een beetje moe in mijn nachtdiensten reeks. Maar liefst 75% is ook niet uitgerust na het slaapmoment na de eerste nachtdienst en zelfs 80% voelt zich helemaal niet uitgerust tijdens de nachtdiensten.

Nachtdienst en sociale steun

De studie van D’ Ettorre et. (2020) al vond geen verband gevonden tussen hoge werkdruk, slapeloosheid en slaperigheid overdag met nachtdiensten. Bij vrouwen was het niveau van sociale steun significant en negatief geassocieerd met slapeloosheid en slaperigheid overdag.  De studie heeft als conclusie uit hun kwantitatieve onderzoek dat interventies die gericht zijn op het voorkomen van slaapstoornissen en werkstress bij vrouwelijke verpleegkundigen die wisselende diensten en daarmee nachtdiensten werken moeten bestaan uit sociale steun (5).

De stelling hierbij was: ‘Als ik nachtdiensten draai, dan ben ik meer prikkelbaar.’. Als ik dit lees, dan denk ik direct aan mijn vriend. Oef, hij moet wat doorstaan als ik nachten heb. Ik kan soms gewoon best bot uit de hoek komen, maar gelukkig voel ik mij hierin nu niet alleen. Op Instagram gaf 78% aan dat zij dit namelijk ook hebben. Succes voor jullie partners!

Bronnenlijst

1.          Chang WP, Li H Bin. Differences in workday sleep fragmentation, rest-activity cycle, sleep quality, and activity level among nurses working different shifts. Chronobiol Int [Internet]. 2019;36(12):1761–71. Available from: https://doi.org/10.1080/07420528.2019.1681441

2.          Razavi P, Devore EE, Bajaj A, Lockley SW, Figueiro MG, Ricchiuti V, et al. Shift work, chronotype, and melatonin rhythm in nurses. Cancer Epidemiol Biomarkers Prev. 2019;28(7):1177–86.

3.          Li H, Shao Y, Xing Z, Li Y, Wang S, Zhang M, et al. Napping on night-shifts among nursing staff: A mixed-methods systematic review. J Adv Nurs. 2019;75(2):291–312.

4.          Niu SF, Chu H, Chung MH, Lin CC, Chang YS, Chou KR. Sleep Quality in Nurses: A Randomized Clinical Trial of Day and Night Shift Workers. Biol Res Nurs. 2013;15(3):273–9.

5.          D’ettorre G, Pellicani V, Caroli A, Greco M. Shift work sleep disorder and job stress in shift nurses: Implications for preventive interventions. Med del Lav. 2020;111(3):195–202.

Net afgestudeerd, en dan? De eerste keer werken als gediplomeerd verpleegkundige

Net afgestudeerd, en dan? De eerste keer werken als gediplomeerd verpleegkundige

De eerste weken vol vraagtekens

Daar sta je dan. Met je diploma op zak en knikkende knieën. Je eerste dag werken als verpleegkundige na het behalen van je diploma. Ergens super enthousiast, maar aan de andere kant ook erg onzeker. Mijn eerste dag. Ik weet het nog goed. Met mijn haren in een staart liep ik door die donkere grijze gangen van het ziekenhuis. Ik was zo blij dat ik het ziekenhuis al kende en wist waar het kleding automaat was en hoe ik ongeveer moest lopen naar de afdeling. Eenmaal op de afdeling aangekomen nam ik mij voor om mij van mijn beste kant te laten zien. Iedereen zou ik netjes een hand geven, mijzelf voorstellen en glimlachen. Al snel werd duidelijk dat het niet zo zou gaan..

De eerste verpleegkundige die ik tegen kwam was een grote man. Hij had het druk. Ik wist niet of hij van de dagdienst was of van de nachtdienst. Ik had mij zoals voorgenomen netjes voorgesteld, had hem een hand gegeven en probeerde zijn naam te onthouden. Maar doordat hij het druk had, kreeg ik het idee dat ik proactief moest zijn en hem moest helpen. Hij liep weer weg en andere collega’s kwamen binnen. Ze begonnen met elkaar te praten. En daar stond ik dan. Alleen, ik kende niemand en kon niet echt mee praten over alle patiënten die besproken werden.

Het was net zeven uur in de ochtend geweest, ik had wat nieuwe gezichten gezien en de verpleegkundige die het druk had kwam weer terug. Hij riep: ‘Wie wil er met mij mee naar de OK?’. Ik had het idee dat ik dat het beste kon doen. Ik stond immers maar te staan, kon nog niet inloggen op de computer en voelde mij daardoor een beetje nutteloos. Ik antwoordde dat ik wel mee wilde lopen. Hij lachte. Ik hoefde niet mee te lopen. Toen had hij door dat ik niet echt wist wat ik moest doen en nam hij mij mee naar de andere kant van de zusterpost. Hij wees een groot bord aan met daarop kamer nummers en namen van verpleegkundigen. Ik kreeg van hem een briefje met patiënten namen, reden van opname en patiëntenkamers in mijn handen gedrukt. Hij liep met een andere collega naar OK en ik vroeg wie de verpleegkundige was waar ik aan gekoppeld stond.

Dit bleek een hele lieve verpleegkundige te zijn die later werkbegeleider werd en waarmee ik in de dagelijkse praktijk nog veel samenwerk. In de aankomende weken stond ik ook samen met haar gepland op de short-stay patiënten. Deze patiënten kwamen voor zogenaamde dag behandeling operaties en verbleven dus maar één dag op de afdeling. Zo leerde ik anamnese afnemen, de kleinere operaties en de verschillende protocollen van de afdeling. In de tijd dat ik even niets te doen had, maakte ik e-learnings.

De weken die hierna komen gevuld met verantwoordelijkheid

Na een paar weken was ik een beetje los gekomen, kende ik bijna alle verpleegkundigen bij naam en mocht ik over naar de andere kant van de afdeling. Hier lagen de ‘lang liggers’. Vandaag de dag hebben wij de short-stay patiënten niet meer. Die worden behandeld op de dagbehandeling. Het leuke (naja, interessante) is dat wij juist meer lang liggers hebben. Deze patiënten ondergaan een grote operatie (commando of een totale laryngectomie) en blijven voor een week a twee weken bij ons.

De eerste weken aan deze kant van de afdeling leerde ik veel. Nieuwe ziektebeelden, een ander slag patiënt en het was hier altijd bezig. In deze weken las ik enorm veel protocollen, tekende ik veel handelingen af en voltooide ik bijna al mijn e-learnings. Ook thuis was ik er mee bezig.

En toen kwam het.. De eerste dienst mijn eigen patiënten. Oh wat vond ik het spannend. Als jong gediplomeerd verpleegkundige had ik altijd back-up van een senior verpleegkundige. Ik kon haar altijd om hulp vragen en zij keek met alles mee of ik het wel volgens de richtlijnen en protocollen deed. Ideaal en ook best eng. Iemand die de hele tijd met je mee kijkt. Wat ik het spannendste vond, was de verantwoordelijkheid. Het feit dat ik alles moest onthouden, de juiste bevindingen moest doorgeven aan de zaalartsen en geen handelingen mocht vergeten.

Ik maakte een routine lijstje van de dag. Hier stond bijvoorbeeld op hoe laat de medicatie gedeeld werd, wanneer de controles gedaan worden, wanneer de bloedsuikers geprikt moeten worden en per patiënt schreef ik de to-do dingen op. Deze to-do dingen haalde ik uit de rapportages, het protocol van de desbetreffende operatie en de artsenvisite. De eerste week eigen patiënten ging goed en om die reden kreeg ik de tweede week een leerling mee. Dit was dus al in de zesde week dat ik er werkte. Kan ook iets later zijn geweest. Het voelde goed en leuk.

De leerling had echter een rugzakje en had met alles begeleiding nodig. Ik had dit in eerste instantie niet direct door. Natuurlijk gaf ik haar begeleiding en legde ik dingen uit. Ik durfde haar ook nog niets zelfs te laten doen. Puur om het feit dat ik niet wist wat zij mocht en het feit dat ik er zelf nog maar net was. Ze mocht meekijken en we konden samen werken. Toen ik pauze had, liep de psychiater visite bij een heftige casus. De student haalde mij er zelf niet bij. Dit zorgde ervoor dat de psychiater de haldol wilde afbouwen terwijl de patiënt van voor niet wist dat zij van achter leefde. Ook liep de KNO arts langs en droeg over dat er bloed moest worden afgenomen. Ik kon mijn eigen verhaal niet kwijt en kon ik geen vragen stellen. En de student droeg niet over dat er bloed moest worden afgenomen, dit las ik later in de naslag terug.

Hier was ik erg van ontdaan. Ik snapte niet waarom zij dit had gedaan en hoopte dat mijn collega’s inzagen dat ik dit nooit zo zou doen. Ik had het idee dat ik gefaald had en er niet goed was geweest voor mijn patiënt. Ik had niet voor haar kunnen opkomen en was een bloed afname ‘vergeten’. Ik vond de artsenvisite toen eigenlijk al eng om te doen (omdat toen nog de senior verpleegkundige mee liep) en vond over deze gebeurtenis praten al helemaal verschrikkelijk. Toch besloot ik om het te delen met mijn manager.

Omdat ik het echt heel erg vond ging ik met het vocht in mijn ogen naar mijn manager toe en vertelde ik haar alles. Dat ik alles samen wilde doen, omdat ik maar net zelf het overzicht had en nog niet het kon overzien als zij van alles zelf zou gaan doen. Dat ik dit uitgebreid met haar had besproken, maar dat zij als derdejaars student die net op onze afdeling liep, toch zelfstandig de visite had gelopen. Dat zij hierbij onjuiste informatie had gegeven en belangrijke informatie was vergeten over te dragen. De student had mij er gewoon bij moeten halen. Ik had de verantwoordelijkheid. Mijn manager begreep gelukkig alles. Uiteindelijk heb ik zowel de zaalarts gebeld als de psychiater en alles uitgelegd. Tevens heb ik de student apart genomen en verteld wat er allemaal was gebeurt en hoe dit voorkomen had kunnen worden. Eind goed, al goed. De haldol werd niet meer afgebouwd, het bloed werd afgenomen en de student zou de volgende keer echt mij halen als er een arts langsliep.

Helaas liep het voor deze student niet goed af. Wat er bij mij gebeurde, gebeurde bij andere collega’s ook en na een paar weken zonder enige verandering of zelfreflectie is zij met voldoende bewijslast van de afdeling afgehaald. Ik trof het als jong gediplomeerde dus gelijk… Aan de ene kant verschrikkelijk. De angst dat alles fout zou gaan onder mijn verantwoording kwam uit. Aan de andere kant eigenlijk best positief. Ik heb alles recht kunnen zetten en aan mijn collega’s en manager kunnen laten zien wat ik de juiste manier van zorgverlening vind en hoe ik op kom voor mijn patiënten.

Leren, vallen en opstaan in de onregelmatigheid

Na een paar maanden dagdiensten te hebben gedraaid en voor mijn gevoel helemaal in de patiënten, ziektebeelden en operaties te zitten, mocht ik eindelijk de onregelmatigheid in. Ik weet niet meer wat er eerst kwam. Een avonddienst of een nachtdienst. Ik denk de nachtdienst, want ik kan me herinneren dat ik wilde inlezen achter de computer en dat dit niet gebruikelijk was. De verpleegkundigen die samen met mij nachten hadden, vertelde mij dat we eerst een mondelinge overdracht kregen in de koffieruimte, waarna we konden inlezen als de avonddienst naar huis was. Tegenwoordig is dit ook al weer anders.

Een van de verpleegkundigen die mij heeft ingewerkt, werkt nu nog steeds op de afdeling. Wij zitten nu zelfs samen in het canule team. Ik wist nog wel dat ik het zo knap vond dat zij wist waar elk medicament stond in de medicatie ruimte, dat zij zo op tijd alle taken van de nachtdienst kon doen (medicatie uitzetten, opnames voorbereiden, rondes lopen, etc.) en tussendoor nog bellen kon lopen. De nachtdienst hierna had ik met een andere collega nacht en die liep achter mij aan, terwijl ik zelf probeerde te herinneren wat ik de nacht ervoor nou allemaal gedaan had. Gelukkig kon ik het terug vinden in het inwerkboekje en mijn aantekeningen. Dit ging allemaal goed en ik was na de eerste nachtdiensten zo gesloopt dat ik ook prima sliep!

De eerst volgende keer was ik niet over gepland in de nachtdiensten en stond ik samen met een collega die nu helaas weg is. Er belde een meneer. Hij had het benauwd en had een canule. Al snel had mijn collega door dat hij een sputumprop had. Ik had gelukkig al mijn canule zorg en uitzuigen afgetekend en kon met trillende handen mijn collega helpen. Het was zo’n raar idee dat zij en ik als enige op de afdeling waren. Met zoveel patiënten. En dat wij op dat moment een half uur vast stonden bij een meneer die echt onze hulp nodig had. Er gingen ook andere bellen af en die liepen we nadat we de sputumprop uit de canule hadden gehaald en de ademweg van deze meneer weer vrij was. Wat een adrenaline!

In de eerste avonddiensten leerde ik denk ik hoe belangrijk goed samen werken met je collega’s is en hoe je een patiënt naar huis toe stuurt (op de short-stay kant van de afdeling). Ik kan me er niet meer heel veel van herinneren.

De conclusie is dat alles van zelf komt. Ik heb het idee gehad dat ik onder gedompeld werd in informatie en dat er vanuit werd gegaan dat ik het zou redden. Dit lukte ook. Ondertussen heb ik wel mijn grenzen zo goed mogelijk geprobeerd aan te geven en heb ik zoveel mogelijk leermomenten proberen te pakken. Het gaat erom dat je aangeeft wat je wel en niet kunt. Dat je aangeeft wat je wilt leren. En dat je vertrouwen hebt. Uiteindelijk komt alles goed. Die knikkende knieën zijn maar goed ook, want dan let je beter op. Het verantwoordelijkheidsgevoel is goed. Dat heb ik nog steeds. Maar, ervaring leert dat het elke dienst goed komt. En zo niet? Dan heb je altijd collega’s die je kunnen helpen.

Zorg en technologie saai? Ik dacht het niet!

Zorg en technologie saai? Ik dacht het niet!

Binnen het Erasmus MC hebben wij sinds kort een nieuwe afdeling die zorg en technologie verbind: create4care. Aan het begin kon ik bij de koppeling van zorg aan technologie nog niet heel veel voorstellen, maar sinds ik een bezoek heb gebracht aan de create4care studio wel! In onderstaand filmpje neem ik jou dan ook graag mee naar de studio om te laten zien dat de combinatie van zorg en technologie een heleboel frustratie kan laten afnemen en dat je er tijd mee kan winnen!

Doe dit alsjeblieft WEL wanneer jij mij begeleidt..

Doe dit alsjeblieft WEL wanneer jij mij begeleidt..

Leerlingen begeleiden.. Ik schreef al drie blogs over hoe het (volgens jullie) NIET moet. We kunnen deze serie echter niet afsluiten zonder een blog hoe het (volgens jullie) WEL moet. Het is eigenlijk al weer een tijd geleden dat ik schreef wat studenten vinden als het gaat om juiste begeleiding. Dus, ik vond het wel tijd om de andere punten te delen.

Als een stage begeleider dit… doet dan voel ik mij op mijn gemak/begrepen/comfortabel/goed begeleid. Ik vroeg het wederom op mijn instagram, en dit zijn de antwoorden:

  1. Ruimte geven om te leren en om fouten te maken

In de zorg werken mensen en wij mensen maken allemaal wel eens een foutje. Je werkt (neem ik aan) in de zorg om de beste zorg te leveren die jij kan leveren. En soms gaat dat wel eens gepaard met een foutje. Een foutje om niet alle spullen mee te nemen als je een kamer op gaat en dat je daardoor een paar keer heen en weer moet lopen. Dat de patiënt daar met een open wond ligt en aan het wachten is tot jij terug komt met het juiste verbandje. Of tot een foutje wat grotere gevolgen heeft. Deze kunnen zelfs nadelige gevolgen hebben voor de patiënt. Denk aan medicatie fout toedienen of vergeten, een buisje bloed vergeten af te nemen, etc.

Als student val je onder de verpleegkundige. Die is verantwoordelijk. Dit betekent voor mij dat ik de handelingen van een leerlingen altijd wil checken, kijken of de student de juiste prioriteiten stelt. Als het gaat om risicovolle handelingen (medicatie delen, drain verwijderen, etc.) is mijn streven om er altijd één keer bij over de schouder mee te kijken als zij dit al kunnen. Deze handelingen mogen de student in principe zelfstandig uitvoeren bij ons, als het drie keer is afgetekend. Als ik de student de handeling nog nooit heb zien uitvoeren, wil ik het altijd zelf nog even zien. Niet omdat ik de student niet vertrouw, maar omdat ik het zeker wil weten dat het goed gebeurd. Het is toch mijn verantwoordelijkheid. Voorbehouden handelingen (maagsonde inbrengen, katheteriseren, infuus prikken) moeten de studenten altijd onder begeleiding van een verpleegkundige uitvoeren. Binnen deze handelingen ligt zoveel verantwoordelijkheid, dat de verpleegkundige deze moet ‘controleren’. Zo wel risicovolle handelingen als voorbehouden handelingen mag je bij ons pas uitvoeren als je dit hebt afgetoetst op school.

Als wij het dan hebben om fouten te maken binnen dit kader, denk ik dat het gaat om de studenten ruimte te geven om na te denken, spulletjes te pakken en gedachten uit te wisselen voordat de handeling daadwerkelijk uitgevoerd wordt. En voordat je samen de patiënten kamer betreedt. Hiermee geef je de student ruimte om fouten te maken. Dat is niet erg. Wij – gediplomeerd verpleegkundigen –  moesten het ook allemaal leren. Als je als student dan goed het protocol doorgelezen hebt, maar toch iets vergeet, kan je tijdens de handeling (denk ik) prima bijgestuurd worden door een verpleegkundige. Gaande weg leert men, toch?

2. Samen verwachtingen bespreken en deze evalueren

De student maakt altijd een POP/PAP of startdocument. Hierin wordt de beginsituatie beschreven, de leerdoelen en dus het uiteindelijke niveau waar de student heen wilt groeien. Als dit niet besproken wordt en dus geen verwachtingen besproken worden, heeft de student ook niet een leerdoel om zich in te ontwikkelen. Het bespreken van verwachtingen zorgt er voor dat studenten zich op hun gemak voelen. Doen dus!

3. Feedback bespreken

In de ‘doe dit NIET’ blog kwam duidelijk naar voren dat roddelen niet kan en dat feedback geven waar anderen bij zijn (of helemaal geen feedback geven) ook niet gewenst is. Maar wat is dan goed? Misschien valt dit onder punt 2. Als jij bespreekt met de student wat hij of zij een prettige manier vind om aangesproken op te worden, dan kan je deze manier toepassen (indien gewenst) en op deze manier feedback geven. Als leerling vond ik het bijvoorbeeld heel fijn om direct mijn feedback te horen, maar wel op de gang, zodat de patiënt het niet kon horen. Dit kon soms niet altijd, maar ik vond het wel prettig als hier rekening mee werd gehouden. Als de feedback direct bij patiënten of andere verpleegkundigen werd besproken, kon dit mij namelijk onzeker maken. Nergens voor nodig, denk ik achter af, want iedereen leert. Maar, zo voelde ik mij toen wel.

4. Theorie vragen stellen

Studenten geven aan dat zij het prettig vinden dat er tussen de handelingen door theorie vragen worden gesteld. Denk bijvoorbeeld aan een sonde in brengen. Waarom meet je de sonde nu op? Waarom meet je de PH? Wanneer mag je beginnen met toediening van vloeistoffen over de sonde? Zij laten weten geprikkeld te worden tot nadenken tijdens een handeling. Ik denk dat dit ervoor zorgt dat een student niet klakkeloos een handeling doet, maar er echt over na denkt. Uiteindelijk kunnen we allemaal een kunstje leren, maar het gaat om de onderliggende laag. Waarom doe je een handeling? Wat voor gevolgen heeft die handeling? Wat zijn de complicaties?

5. Betrekken in overleggen

Studenten willen bij het team horen (logisch!). Betrek ze in overleggen over de afdeling, laat ze nadenken. Zo hebben wij een keer in de zoveel weken een dag evaluatie waarin het verbeterbord wordt besproken. Een leerling kwam een keer met een super goede suggestie om een punt in te brengen en heeft hierdoor veel collega’s hun manier van werken doen laten inzien. Studenten horen ook bij het team. Zij nemen de frisse wind mee, de nieuwe expertise. Zij zijn kritisch over ons handelen en kunnen dit signaleren. Soms zitten we zo vast geankerd in onze patronen, dat wij – gediplomeerd verpleegkundigen – die patronen niet in zien. Juist door studenten te betrekken in het team kan het team kwalitatief verbeteren en wordt het alleen maar gezelliger!

6. Interesse tonen

Vraag je leerling hoe het gaat. Hoe zij of hij zich voelt. Waar hij of zij gelukkig van wordt en welke manier van begeleiden hij of zij prettig vinden. Wij vinden waardering belangrijk. Dat zie je nu ook met de hele corona crisis. Wij voelden, en misschien voelen, ons niet gewaardeerd als wij zouden willen. De zorg was een ondergeschoven kindje en er ging weinig aandacht en geld (salaris) naar toe. Tot de laatste weken dan.. Maar, als wij dit gevoel hebben, dan hebben leerlingen dat ook. Zij stappen immers in een nieuw beroep in en willen zich daarmee identificeren. Hoe fijn is het dan dat zij waardering voelen van hun begeleider, dat er interesse in hun wordt getoond.

7. Aanmoedigen om grenzen te verleggen

Hier moest ik wel over nadenken toen ik het las. Een student schreef dat zij gemotiveerd werd door een PEP-talk. Dat je laat zien dat je in een student gelooft, opbouwende feedback geeft en complimenten uitdeelt. Ik moest nadenken.. Want, dit vind iedereen fijn toch? Zullen we het dan tijdens het leerlingen begeleiden alsjeblieft niet vergeten.

8. Als ik iets zelfstandig kan, mij dat laten doen

Dit gaat dan denk ik om punt 1 en dan de risicovolle handelingen. De studenten vinden het niet prettig als er continu over hun schouder wordt meegekeken. Dat begrijp ik. Dat vond ik ook niet. Dit gaf mij namelijk het idee dat ik het niet goed genoeg deed en hierdoor was ik bang om fouten te maken. Best grappig. Want nu vind ik samenwerken juist super fijn en sta ik helemaal open voor de feedback van mijn collega. Ik denk dat je hierin groeit en ik snap dus volkomen dat je dit als student niet prettig vind. Geef het aan, bespreek het. Dan komen we gelijk weer op punt 2.

9. Niet voor het blok zetten

Soms is dit echter wel nodig. Niet continu. Maar, zelfvertrouwen groeit door dingen te doen. En als je het niet doet, dan is een klein duwtje soms wel nodig. Dan zie je dat je het wel kan. Maar dit kleine duwtje kan denk ik alleen maar gegeven worden als je er echt klaar voor bent. En je ‘pushen’ om iets te doen is niet fijn. Zie de positieve kant hiervan in. Diegene die jou begeleiding geeft, die denkt dat je het kan. Nu jij nog!

10. Stage opdrachten begrijpen

Oef. Dit is echt een taak voor de studenten begeleider van de afdeling, niet zo zeer een verpleegkundige die studenten begeleidt. Natuurlijk moet je als verpleegkundige wel weten waar je student mee bezig is, maar bij ons worden de opdrachten nagekeken door een verpleegkundige die gespecialiseerd is in studenten begeleiden. Ik denk dat dit wel echt meer waarde geeft. Hierdoor weet zij tot in de puntjes waar aan je moet voldoen en kan je altijd even langslopen.

Loop jij tijdens je stage ergens tegen aan? Bespreek het met je instellingsdocent van school en met je begeleiders. Heb ik nog wat gemist in deze blog? Laat het mij weten!

Een vlucht door het ziekenhuis met Covid-19

Een vlucht door het ziekenhuis met Covid-19

De lente is begonnen. Inmiddels is heel Nederland gewend geraakt aan thuiswerken en afstand houden, `Quarantaine’ en ‘Corona’ zijn onderdeel geworden van ons dagelijks vocabulaire. Met het mooie weer en de fluitende vogels is de drang om in grote getalen het park, het bos of het strand op te zoeken moeilijk te weerstaan. Desalniettemin hoop ik dat de ‘balkonlanden’ voorlopig ieders favoriete bestemming blijven. Steeds meer mensen worden van dichtbij geconfronteerd met het Coronavirus en de impact die het heeft. Wij als verpleegkundigen in het bijzonder: met hart en ziel zorgdragend voor de zieke patiënt die wordt binnengebracht.

Het is alweer een maand geleden dat de eerste twee verpleegafdelingen werden ingericht als Corona cohortafdeling in ons ziekenhuis. Voor de verpleegkundigen werkzaam op deze afdelingen was dit spannend, onzeker en kostte het tijd om te wennen aan de nieuwe situatie. De fysieke beperking van het continu werken in strikte isolatie en het onzekere ziekteverloop van het corona virus bij patiënten waren pittig. Daarnaast waren er veel vragen: Gaan we Italië achterna en moeten er met vliegende vaart nieuwe corona afdelingen ingericht worden? Hoe lang duurt dit nog?

Middelen en maatregelen om het Coronavirus te lijf te gaan lieten in elk geval niet lang op zich wachten. In een – haast militaristische – operatie is er binnen enkele dagen een triagetent opgezet. Op de parkeerplaats van de SEH worden patiënten gezien door de SEH verpleegkundige, de arts en wordt er lab en een keelkweek afgenomen. Ook wordt er in een mobiele CT-scan een scan van de longen gemaakt. Met deze scan kunnen we al in een vroeg stadium afwijkingen aan de longen zien die mogelijk kunnen duiden op besmetting met het Corona virus.

Hoewel de techniek een essentiële rol speelt, is de mens die de techniek bedient nog velen malen belangrijker. Verpleegkundigen uit het hele ziekenhuis worden ingezet om samen te vechten tegen het Coronavirus. Het is mooi om te zien dat er elke dag weer een nieuw samengesteld team in de triage tent staat met disciplines vanuit het hele ziekenhuis. Van verpleegkundigen, fysiotherapeuten en OK-medewerkers tot medisch studenten. Allemaal met hetzelfde doel voor ogen, ondanks alle belemmeringen. Door een spatbril heen laten zien dat je er voor iemand bent. Een persoonlijk praatje maken, geruststellen en laten weten dat ze bij ons in goede handen zijn doet vaak goed bij de zieke, benauwde en soms angstige patiënten die binnenkomen.

De eerste kleine lichtpuntjes dienen zich aan. De laatste nachten op de SEH, nu begin april, lijken rustiger te zijn. Er worden minder patiënten opgenomen. De eerste patiënt op de Intensive Care in ons ziekenhuis is na 20 dagen op de Intensive Care van de beademing af. Dat geeft hoop. Voorzichtig aan durven deskundigen landelijk te benoemen dat de curve wat lijkt af te vlakken, de incidentie neemt voor het eerst af in plaats van toe. Hoewel ik van nature optimistisch ben maak ik me ook zorgen over de collateral damage. Dat is een term die binnen defensie wordt gebruikt voor ‘bijkomende schade’. Niet-Corona patiënten melden zich namelijk weinig op de SEH. Dus: wat staat ons te wachten als we deze pandemie straks onder controle hebben?

Wat er ook komen gaat: ik heb vertrouwen in jou. Ik ben trots en vind het mooi om te zien hoe zoveel zorgprofessionals en alle disciplines samenwerken en zich dubbel en dwars inzetten. Samen zoeken we naar mogelijkheden en streven we naar kwaliteit van zorg voor onze patiënten.

Een dienst op de corona intensive care

Een dienst op de corona intensive care

De angst en de onzekerheid in zijn blik was goed te zien. Ik moest tijdens mijn dienst op de corona intensive care mijn patiënt gaan uitleggen dat wij hem zouden gaan ondersteunen met de beademing. Er worden zoveel vragen gesteld, die ik soms niet kan beantwoorden. En familie kunnen zij niet zien op de meest angstaanjagende momenten in hun leven. In deze anonieme gastblog lees je mee hoe het er op een corona intensive care aan toe gaat.

Sinds een paar dagen is onze intensive care omgebouwd tot een corona intensive care. De gehele afdeling wordt gezien als ‘besmet’. Ik moet mij eerst volgens de regels aankleden met de juiste bescherming voordat ik de afdeling mag betreden. Dit betekent dat ik een FFP2 mondkapje, een haar kapje (aangezien ik lang haar heb), een spatbril of vuurwerkbril, een geel schort en handschoenen moet aantrekken. Zolang ik op de corona intensive care ben, moet ik deze bescherming aanhouden. Het mondkapje zit niet erg comfortabel, maar na een tijdje begin ik hier aan te wennen. Zolang ik druk bezig ben vergeet ik de irritatie eraan vanzelf. 

Deze dienst zorg ik voor een 58-jarige patiënt. Hij stond nog vol in het leven, werkte veel en had weinig gezondheidsklachten. Zo slikt hij enkel medicatie voor zijn bloedsuiker en heeft hij nog nooit in het ziekenhuis gelegen! Deze meneer is van de normale corona afdeling naar de intensive care gekomen omdat het ademen veel te zwaar werd. Dit komt door de dubbele longontsteking die is ontstaan door het corona virus. De enige behandeling die wij deze patiënten nu kunnen bieden is ondersteuning bij de ademhaling zodat zij niet aan zuurstof tekort overlijden. We proberen hiermee tijd te winnen zodat de longen weer kunnen herstellen uit zichzelf.

Op het moment dat ik mijn patiënt ging uitleggen dat wij denken dat wij hem moeten gaan ondersteunen met de beademing, merkte ik veel ongeloof bij mijn patiënt. Hij had direct heel veel vragen. De angst en onzekerheid was goed te zien in zijn blik. Ik vond het erg lastig om mijn patiënt gerust te stellen, omdat ik nog weinig antwoorden kan geven op vele vragen, ook de artsen hebben deze antwoorden nog niet. Als de patiënt aan de beademing gaat, wordt hij hiervoor in slaap gebracht. Voordat deze meneer in slaap werd gebracht, heb ik aangeboden om nog even te video bellen met zijn familie, aangezien zijn familie niet meer langs kan komen. Als de patiënt zelf geen smartphone heeft, dan regelen wij deze voor de patiënt. Dit is het enige wat wij nog kunnen bieden nu er helemaal geen bezoek langs mag komen.

Op het moment dat de patiënt geïntubeerd ging worden heb ik de familie nog even gebeld om informatie te geven en eventuele vragen te beantwoorden. Wederom waren er heel veel vragen waarop ik niet altijd een antwoord heb. Familie stelt vaak veel vragen opzoek naar hoop, meer zekerheid en vertrouwen. Wij als intensive care personeel willen deze hoop en vertrouwen heel graag geven maar dat kunnen wij niet doen. Wij kunnen geen valse hoop geven. Bij de familie hebben wij aangegeven dat wij alles gaan doen om de patiënt weer beter te maken, meer kunnen wij niet beloven.

Ik merk dat bij alle collega’s op de intensive care en in het gehele ziekenhuis veel spanning en onzekerheid is. Wij vinden allemaal de kwaliteit van zorg heel belangrijk, zo zijn wij ook opgeleid. Daarom zijn wij ook voornamelijk bang dat de kwaliteit van zorg verslechterd omdat wij voor veel meer ernstig zieke patiënten tegelijk moeten gaan zorgen. Het ziekenhuis doet er alles aan om zo effectief en veilig mogelijk te werk te gaan in samenwerking met elkaar. Ik ben enorm trots op het ziekenhuis waar ik werk en het gehele team van de intensive care!

Wanneer thuis sterven niet meer kan

Wanneer thuis sterven niet meer kan

‘Mag ik dan thuis sterven?’ vroeg hij hoopvol.
Zijn vriendelijke gezicht keek de arts vragend aan.
Er viel een stilte.

Het was een moeizaam moment. Deze meneer had net een maand geleden zijn eerste chemokuur gehad. Nu was hij opgenomen wegens pijn en toenemende benauwdheid. Dat de kanker in een ruime maand zo enorm veel gegroeid zou zijn, had niemand zien aankomen. Dit was het ergste scenario. De longarts kon dit echter nog niet 100% bevestigen en een familie gesprek met de hoofd behandelaar ging nog plaatsvinden later op de dag. Meneer had nog meer vragen. Hij praatte er snel overheen.

‘Ik vind het zo vervelend dat ik niet meer kan doen. De pijn is nu onder controle, maar mijn conditie stelt niets meer voor.’
Puffend lag hij in bed. Hij had twee zinnen gezegd. Zijn vrouw liet zijn arm los en stond op om de zuurstof wat hoger te zetten.
We bespraken een fysiotherapeut. De ziekte zelf. De mogelijkheden van de pijn en vermoeidheid. Vocht in de longen, een longontsteking, en ga zo maar door. Maar de vochtafdrijvende medicijnen hadden niets uitgehaald en de longfoto liet geen ontsteking zien. Een moeilijk moment, waarbij je als verpleegkundige meer weet dan de patiënt.

De dienstdoende longarts zei aan het einde van het gesprek: ‘Nu hebben we alles wel besproken, maar zijn we niet ingegaan op uw wens om thuis te sterven. Zullen we dit bespreken?’. Meneer fronste zijn wenkbrauwen. De longarts kwam naast hem op bed zitten. En zijn vrouw pakte een stoel. Wat er toen gebeurde was mooi. Meneer vertelde over zijn wens om naar huis te gaan, comfortabel te zijn en geen benauwdheid meer te ervaren. Natuurlijk was er medicatie gestart wat allemaal zou moeten werken, maar hij was op. Het hoefde niet meer.

In de namiddag, na mijn dienst, had deze meneer samen met zijn vrouw een familie gesprek met de hoofdbehandelaar. Hierin werd duidelijk dat het ging om toename van de kanker en dat er gekeken moest worden om naar huis te kunnen gaan. Meneer wilde euthanasie. Het was een lijdensweg geworden. Hij ervoer geen kwaliteit van leven meer en had al twee jaar een weg vol met obstakels moeten doorstaan. Het was genoeg.

In de komende uren werd hij meer benauwd. En toen ik de volgende dag mijn avonddienst begon, zag hij het allemaal niet meer zitten. De ademhaling ging omhoog, zuurstof opnemen was moeizaam, plassen lukte bijna niet meer en het enige wat hij deed was op bed liggen. Zijn vrouw en zoon zaten bij hem en we bespraken zijn euthanasie wens. Ik vraag vaak wat kwaliteit van leven voor mijn patiënten betekent. Want ik kan wel iets ervaren als kwaliteit, maar als je ziek bent en niet meer beter wordt, wat is kwaliteit van leven dan nog en wat ervaart de patiënt?
‘Ik vind het maar knap hoe u alles aanpakt. Zo vast beraden en doordacht. U neemt u hele familie mee in het besluit en dat vinden zij zichtbaar fijn.’
Meneer was dankbaar. Maar het klopte. De warmte die deze familie uitstraalt is zo mooi om te zien. Het er voor elkaar zijn en in rust over de moeilijkste onderwerpen praten. En het belangrijkste. Iedereen liet elkaar in zijn waarde. En zo werd de euthanasie wens besproken.

De longarts kwam weer langs om alles in gang te zetten. Van de fentanyl pomp werd over gegaan op een morfine pomp. Morfine kan namelijk in de thuissituatie makkelijker toegediend worden dan fentanyl. De ketanest pomp zou langzaam worden verlaagd en er zou een evenwicht gezocht worden voor goede pijnstilling. Er zou.
‘Het hoeft voor mij niet meer. Ik houd het niet meer vol. Ik trek het niet meer.’ vertelde meneer toen hij deze plannen hoorde.
In het ziekenhuis sterven was niet zijn wens, maar werd toen wel besproken. En hiermee ging meneer eigenlijk zo snel als hij kon mee akkoord. Zolang hij maar vrij was van die benauwdheidsklachten. Met elke ademteug leek het of hij geen lucht binnenkreeg, ging zijn lichaam zweten om te kunnen werken en werd hij meer vermoeid. Het was geen doen meer.

We spraken af dat we sedatie zouden gaan starten. Omdat hij zoveel last had van die benauwdheidsklachten, was dit de beste optie. Dit betekent dat hij in slaap zal worden gebracht met Midazolam en zal overlijden aan de gevolgen van de ziekte, maar niet aan de medicatie. Euthanasie was op deze korte tijd niet te bewerkstelligen.

Het was een kille sfeer op de afdeling. Alle familie kwam tegelijkertijd afscheid nemen. Iedereen kon nog met hem praten. Zijn vrouw coördineerde alles en zijn kinderen bleven zo kalm. Na een uur gepraat te hebben, geskyped te hebben met andere familie leden was het tijd. Hij had de zeggenschap. Hij vertelde wanneer ik de Midazolam moest toedienen. Aangezien hij veel pijnmedicatie had, was de kans groot dat hij gelijk zou gaan slapen. Maar goed ook dat we daarop gerekend hadden, want dit deed hij ook. Vredig, rustig, in een kamer met al zijn geliefden. Op zijn manier, op zijn tempo. En hopelijk zonder benauwdheidsklachten.

Klinisch redeneren: Het bleef maar bloeden

Klinisch redeneren: Het bleef maar bloeden

Het was weekend en het leek een best wel fijne dag te worden. Mijn collega en ik moesten rekening houden met een nieuw opgenomen patiënt. Hij was in de avonddienst gekomen vanuit de periferie na een operatie aan de tong. Een deel van zijn tong was vorige week op onze afdeling operatief weggehaald omdat daar kanker in zat. Je tong is een van de meest doorbloedde organen en om deze reden is een nabloeding ook een reële complicatie. Deze meneer had thuis al fors gebloed, was toen naar een ziekenhuis in de buurt gebracht met de ambulance, maar die durfde het niet aan om hem op te nemen. Als hij weer zou gaan bloeden hadden ze niet de juiste expertise en instrumenten in huis. Dus werd hij naar onze afdeling gebracht.

Het team waar mijn collega en ik op stonden vandaag lag behoorlijk vol, maar het was zaterdag, dus alles kon wat rustiger aan. De arts komt later visite lopen, enkel spoedoperaties worden verricht en spoed onderzoeken. Dit betekent dat de patiënten meestal na zeven uur in de ochtend nog even kunnen dutten en dat niet alles snel snel snel hoeft. Heerlijk vind ik dat. Nog lekkerder vind ik de zondag werken, want dan ken je de patiënten van de zaterdag nog en kan alles nog een tikkeltje meer rustig aan. Deze meneer wilde ook uitslapen had mijn collega mij verteld. Ik was nog niet binnen geweest op de patiëntenkamer van meneer en was een andere patiënt aan het helpen. Deze andere patiënt had net een totale laryngectomie gehad. Hierbij bevestigen de chirurgen de luchtpijp aan de hals. Hierdoor ontstaat er een eindstandig stoma waar de patiënt door ademt. Deze operatie wordt gedaan om de kanker in bijvoorbeeld het strottenhoofd weg te halen. De patiënten die deze operatie ondergaan vinden hierna douchen meestal wel eng. Je ademt als het ware door een gat en hier mag geen douchewater in komen, want dan verdrink je. De patiënt waarbij ik stond had al een keer zelfstandig gedouched, dus durfde het wel aan. Ik zou zijn bed afhalen en opnieuw opmaken, terwijl hij onder de douche stond. Als er wat was, was ik dichtbij. Maar dit plan liep anders dan verwacht.

Ik had nog maar net de lakens van het bed gehaald of de bel van de opname van gisteren avond gaat af. Ik dacht in eerste instantie dat hij wakker was en wilde gaan douchen. Maar nee. Eenmaal in de kamer aangekomen zag ik een bloedspoor van het bed naar het toilet. Dit is ongeveer drie a vier meter. Om de 30 centimeter lag een dikke druppel bloed. De patiënt hing boven het toilet. Beide handen aan de beugels die naast het toilet hangen, het bloed wat uit de mond spoot en de badkamer die ook onder het bloed zat. Het was een niet zo’n fraai gezicht. Gelijk drukte ik mijn persoonlijke alarmknop op mijn pieper in, de assistentie bel aan de muur en ging ik meneer helpen. Hij was niet duizelig, goed aanspreekbaar en dacht dat het beter zou zijn om op het toilet te bloeden dan in bed. Ik wilde meerdere dingen gelijk doen en hierin neem ik jullie mee aan de hand van de ABCDE-methode. Op mijn instagram had ik jullie al gevraagd wat je bij welke stap dient te doen. Eerst zal ik jullie antwoorden delen (in totaal hebben er steeds rond de 75 mensen gereageerd, dus de antwoorden zijn gebundeld), hierna vertel ik het verhaal en als laatste laat ik weten wat er volgens de ABCDE-methode allemaal gedaan moest worden.

De antwoorden van instagram

Airway

  • Is de luchtweg vrij?
  • Manier van ademen
  • Hoorbare ademhaling
  • Controleren op een snurk of stridor
  • Manier van zitten bij een bloeding
  • Obstructie
  • Stand van de trachea
  • Zitten er dingen in de mond (corpus alienum) / mond inspectie

Breathing

  • Ademhaling
  • Is er zuurstof nodig
  • Saturatie
  • Frequentie van de ademhaling
  • Gebruik van hulp ademhalingsspieren
  • Cyanose
  • Stridor

Circulation

  • Bekijk de bloeding
  • Wat is de hartslag
  • Wat is de bloeddruk
  • Circulatie
  • Hoeveel bloed is er verloren
  • Capillaire refill
  • Hoeveel infusen hebben we
  • Afnemen van kruisbloed
  • ECG maken

Disability

  • Botbreuken
  • Bewustzijn
  • Mobiliteit
  • Neurologische toestand
  • Hersenen
  • EMV, AVPU score
  • Bloedsuiker
  • Pupil PEARL score
  • Reactie

Het verhaal

Bij binnenkomst in de badkamer wilde ik direct tranexaminezuur op het bloedende gedeelte doen. Ik wist dat het bloed uit de mond kwam, maar ik wist de exacte focus niet. De patiënt kon zijn mond open doen en het spoot vanaf zijn rechter zijde. Ik had in de badkamer niets voor handen, dus duwde ik mijn hand met handschoen en handdoek in de mond. Mijn collega’s reageerde vrij snel op de assistentie bel. Hierdoor kon ik de andere handelingen die ik wilde doen ook verrichten. Ik weet niet meer wie wat deed, maar er werd een rolstoel gehaald om de patiënt van het toilet naar het bed te rijden, er werd ijs gehaald om in de nek te doen, tranexaminezuur om dit op gazen te doen die in de mond konden, de dienst doende arts werd gebeld door een collega en een andere haalde het controle apparaat. Bedenk dat wij deze dag maar met vier gediplomeerde verpleegkundige werkten en één leerling. Allemaal hebben we iets gedaan, in zo’n korte tijd en heel snel.

Toen meneer op bed lag, hebben we gelijk het bed in een zittende houding ingesteld en konden we met de controles die bekend waren een algeheel beeld bepalen. Het fijne was dat ik het idee had dat ik het juiste plekje in de mond te pakken had. Ik kon gericht de wond stelpen. Het bloed spoot nog steeds langs mijn hand, in het bekkentje onder zijn mond. De zuig kon het zuigen soms niet meer aan en verstopte in het bloed. Ik denk dat mijn collega om de paar minuten een bekertje water aan mij moest geven, zodat ik de zuig door kon spoelen. De tensie was iets van 85/45, een pols rond de 110 en een saturatie van 95%. Meneer was niet benauwd, leek niet te aspireren in zijn bloed en kon nog ademen door zijn neus. Voor de lage bloeddruk belde we het SIT team. De KNO-arts was onderweg van huis, maar we vonden het allemaal wel een fijn idee als er nog iemand mee keek. Ze zouden er aan komen. Tevens dacht ik aan nog een infuus. Over het infuus van meneer liep tranexaminezuur IV en met de lage tensie moesten we meneer wel gaan vullen. Hij had geen cardiale voorgeschiedenis, dus ik durfde dit eigenhandig te beslissen.  Hiernaast hebben we gelijk wat buisjes bloed afgenomen. Met zo’n bloeding weet je zeker dat er packed cells gegeven moeten gaan worden. Om te bepalen welke packed cells de patiënt mag gaan krijgen is er kruisbloed nodig.

Het bloed zocht de weg van de minste weerstand op en dat is ook de neus. Het leek even te zijn gestopt, net op het moment dat het SIT team binnen kwam. Meer dan wat wij gedaan hadden, konden zij niet doen. Meneer was voor alsnog stabiel, bloeding leek gestopt en de tensie kroop iets op. Nog geen paar minuten later begon het weer heftig te bloeden. Uitzuigen, afdrukken, tranexaminezuur gazen, coldpack in de nek. We deden alles wat we konden. Voor de zekerheid sloten we een non-rebreathing masker aan, voor ondersteuning. Een zak van 500cc werd in 30 minuten toegediend. De tranexaminezuur IV liep ook in. De KNO-arts was inmiddels aangekomen en we moesten naar de OK toe. Het werd een spoed operatie.

Ik kon niets anders bedenken dan op het bed te klimmen. Het afgelopen half uur was ik immers de bloeding aan het afdrukken. Ik wist waar ik moest drukken. Daarnaast zat ik toch al onder het bloed, zat ik er goed in en wist ik ook waar ik moest zuigen. En niet het onbelangrijkste.. meneer en ik konden goed met elkaar communiceren. Ik leek steeds te begrijpen wat hij bedoelde en hij kon mijn vragen steeds beantwoorden. We maakten de patiënt klaar voor vervoer. Een draagbare zuig, zuurstof, nog meer tranexaminezuur gazen, intubatie set voor de nood en het broodje van het SIT team ging mee. Een broodje is een mobiel controle apparaat. Het bloed begon te golven uit de mond en neus. Het zuurstof kapje kwam vol te zitten. Ook dit moest ik uitzuigen. Ondertussen was ik op het bed gaan zitten, met mijn sokken aan en mijn klompen nog op de vloer. De rest maakte meneer verder klaar voor transport. En daar reden we. Richting de operatie kamer. De verkoever sloegen we over, we hielpen met zijn alle meneer op de operatie tafel en op mijn sokjes kon ik terug lopen naar de afdeling.

De volgende dag mochten we meneer halen van de PACU. Dit is de post anesthesie afdeling. Meneer herkenden ons nog. Hij had het goed overleefd en had er geen complicatie aan overgehouden. De dag erna vroeg hij aan een collega of zij diegene was die op het bed was komen zitten. Ik werkte een avonddienst en liep naar binnen. Ik vertelde hem dat ik diegene was. We hebben gepraat over de situatie, hij leek alles bijzonder mooi te vinden, we hebben alles doorgenomen en elk stapje besproken. Het deed mij goed. En hem. En de volgende dag, toen meneer naar huis toe mocht, liet hij mij vol trots zien aan zijn zoon. Hij kon maar niet begrijpen dat ik met mijn hand in zijn mond zat, tegelijkertijd kon zuigen en het niet erg vond om in mijn witte pak op het bed met bloedvlekken te kruipen.


De ABCDE-methode


Airway (Ademweg)

  • Inspectie van de mondholte
    • Waar komt de bloeding van aan?
    • Zitten er stolsels in de mond?
    • Is er een ademweg obstructie?
  • Luisteren naar de ademhaling
    • Hoor ik de ademhaling
    • Is de patient hees?
  • Bij de inspectie voel je de lucht uit de mond komen
  • Om de ademweg vrij te houden wordt er uitgezogen
  • Uit voorzorg wordt er een intubatieset meegenomen
  • Het bed in zithouding zetten

Breathing (oxygynatie en ventilatie)

  • Welke kleur heeft de patiënt? Cyanose?
  • Hoe is de ademhalingsbeweging? (luisteren, tellen en voelen)
  • De IC-arts luisterde naar de longen van de patient
  • Voor de zekerheid gaven we wat zuurstof
  • Saturatie in de gaten houden

Circulation (circulatie)

  • Huidskleur?
  • De bloeding hoort hieronder (uitwendig zichtbaar bloedverlies)
  • Zijn de halsvenen gestuwd?
  • Wat is de capillaire refill?
  • De IC-arts luisterde naar het hart
  • De bloeddruk en pols werd gemeten. Bloeddruk aan de lage kant, pols was hoog.
  • Bloedingen werden gestelpt met eerst een handdoek en daarna tranexaminezuur gazen
  • Tweede infuus werd geprikt
  • Kruisbloed (bloedgroep, antistoffen) werd afgenomen
  • Extra vocht werd toegediend
  • Tranexaminezuur IV werd toegediend

Disability (bewustzijn en neurologische uitval)

  • Maximale EMV. Continu aanspreekbaar geweest
  • Pupillen hadden geen afwijkingen
  • Glucose werd niet gecontroleerd (geen diabeet, geen aanwijzingen voor: behandeling eerst wat dood / treat first what kills first)

Exposure (omgeving)

  • Dit betreft de huidafwijking van de wond na de operatie (verwonding)
  • Geen zwelling zichtbaar
  • De temperatuur werd gemeten en gaf geen bijzonderheden
Klinisch Redeneren: Mijn patiënt kreeg geen lucht meer

Klinisch Redeneren: Mijn patiënt kreeg geen lucht meer

Het was een rustige dienst. En wat baal ik ervan dat mijn collega’s en ik dit hard op met elkaar besproken. We genoten van het feit dat het weer eens wat rustiger was op de afdeling. De laatste weken, maanden, was het rennen en vliegen geweest. Aan het einde van de dienst was je blij dat je al je ‘taken’ had kunnen doen, maar de patiënt verloor je al snel uit het oog. Dit laatste klinkt gek, maar als je een stuk of zes a acht patiënten hebt om voor te zorgen, je van deze patiënten de helft in de ochtend al moet helpen met de verzorging, een verse lap controle hebt waarbij je om de zoveel uur het huidtransplantaat moet beoordelen, dat je bij verschillende patiënten de trachea canule moet druppelen en hierbij dan nog spoed opnames komen of onvoorziene zaken als een ernstig zieke patiënt waar je eigenlijk één op één voor wilt zorgen, dan vliegt je dag zo voorbij. En als je dag dan voorbij gevlogen is, dan bedenk jij je dat je graag even naast het bed van die ene patiënt was gaan zitten, had willen praten over de vreselijke nacht die hij had doorgemaakt, over de operatie die hij had ondergaan, het veranderde zelfbeeld of gewoon een leuk gesprek over of met zijn familie en vrienden. Maar dat lukt dan niet. En ik vind, dat je dan de patiënt uit het oog verliest. Want, achter de patiënt zit een mens.

Ik dwaal af. Het was dus een rustige dienst. Het was gezellig op de afdeling, iedereen had zin om te werken en we bespraken de gekste dingen in de koffiepauze. Het gebeurde op de afwisseling van de koffiepauze. De tweede ploeg mocht koffie drinken en dit zorgde ervoor dat de collega waar ik mee samenwerkte deze dag met een paar andere collega’s in een afgezonderde ruimte op de afdeling bij konden komen van de ochtendzorg.

Doordat de collega waarmee ik samenwerkte nog niet zo lang werkzaam is op de afdeling hadden wij een to-do lijst gemaakt. Hier stonden alle dingen op die wij die dag moesten doen, de dingen die erbij waren gekomen van de artsenvisite en als wij iets hadden gedaan, dan streepte wij dit af. Ik keek op de lijst en zag dat er bij een patiënt nog een drain verwijderd moest worden. Terwijl ik mijn spullen aan het pakken was om de drain te kunnen verwijderen, ging mijn zoemer af. De mevrouw die belde was een aantal dagen geleden geopereerd aan haar mondbodem. Hier zat kanker in. Deze kanker is eruit gesneden tijdens de operatie en tevens zijn er wat lymfeklieren meegenomen. Doordat het operatie gebied (de mond en dus ook de luchtweg) erg kan opzwellen, kan het voorkomen dat de patiënten erg benauwd kunnen worden. Om dit te voorkomen hebben deze patiënten een trachea canule.

Op de kamer aangekomen maakte deze mevrouw bewegen rondom haar hals. Alsof iemand haar vastpakte en wilde laten stikken. Mensen met een canule kunnen soms niet praten. Als de patiënt net geopereerd is, dan heeft de patiënt een gecuffte canule. Dit is een canule met een ballon om de canule heen. Deze ballon heet de cuff en zorgt ervoor dat de patiënt alleen maar kan ademen door de canule, want door de mond kan de lucht niet passeren. Dit betekent dat er ook geen lucht langs de stembanden kan komen en de patiënt dan niet kan praten. Deze mevrouw had gisteren een ongecuffte canule gekregen. Dit betekent dat er geen ballon om de canule zit en zij kan dus ook door haar mond heen ademen. Echter is het operatie gebied nog erg gezwollen. Dit komt door de huidtransplantaat in de mondbodem en door de operatie zelf. Dit trekt in de loop van de tijd weer weg, maar zorgt ervoor dat de patiënt de canule nog wel nodig heeft.

Voor mij is het vrij logisch dat als ik een kamer binnen kom en dat dan de patiënt benauwd is, ik begin met het inspecteren van de canule. Ik haal de binnen canule eruit, maak deze als het nodig is schoon en stop deze dan terug. Dit was niet het geval. De binnen canule was schoon. Hierdoor was de patiënt dus niet benauwd. De volgende stap is het druppelen. Het sputum kan in de weg zitten, waardoor de patiënt geen lucht krijgt. Misschien zit er wel een sputumprop die de doorgang net onder de canule afsluit. Dit kan een prop van slijm zijn die bij het in- en uitademen tegen de onderkant van de canule aan komt. Als patiënten met een canule dit hebben, kunnen ze erg benauwd worden. De canule is namelijk de ademweg en het propje zorgt er dan voor dat er geen lucht kan passeren. Ik druppel de patiënt met 2ml NaCl 0,9%. Dit druppelen gaat met een mondkapje, een spatbril en handschoenen aan. Het sputum vliegt namelijk alle kanten op. Er komen aardige slijmklodders mee. In tegenstelling tot vanmorgen lijk ik ook veel slijm te horen in de longen en in de canule. Ik vul opnieuw een spuit met wat NaCl en druppel opnieuw. Het slijm ziet bubbelig, een beetje wit en een beetje geel. Meestal hebben de patiënten het na deze handeling niet meer benauwd. Maar deze mevrouw houdt het gevoel dat ze stikt. Ze kijkt me met grote ogen aan, een beetje boos en houdt haar handen wederom rondom haar hals.

Als laatste redmiddel heb ik mijn zuig nog. Ik realiseer mij dat deze mevrouw misschien ook wel een zuurstof te kort heeft. Omdat ik net al gedruppeld heb en weet dat het niet aan de doorgang van de canule ligt, pak ik snel een datascoop. Dit is een controle apparaat. Ik doe de saturatie meter aan, doe de bloeddruk band om en meet de temperatuur. Normale waarden. Ik laat het controle apparaat nog naast mevrouw staan en begin met mij opnieuw aan te kleden met een mondkapje, een spatbril en handschoenen. Ik zet mijn laatste redmiddel in, het is ongemak die niet te zien is in de vitale parameters. Ik kan wat slijm wegzuigen uit de canule, maar het is niet heel veel.

Natuurlijk gebeurd dit allemaal in een paar minuten. Ik denk dat ik ongeveer vijf minuten bezig was. Het vervelende vond ik dat mijn patiënt niet comfortabel werd, ondanks alle acties die ik deed. Nogmaals maar de vitale functies meten en dan ga ik naar de zaalarts toe. Terwijl ik de controles doe, praat ik wat met mevrouw. Ze is niet opgejaagd of gestressed, maar ze heeft het idee dat ze geen lucht krijgt. In tegenstelling tot wat ik net zag, is de pols opeens omhoog gegaan en de bloeddruk iets naar beneden. Tevens zie ik de saturatie wat naar beneden lopen. Mevrouw heeft de gehele dag al 2 liter zuurstof, maar hiermee satureert zij momenteel maar rond de 90%. Ik zet de zuurstof wat omhoog naar 4L. De saturatie stijgt naar 93%. Snel bel ik de zaalarts, leg ik de situatie uit, deel ik de controles mee en vraag ik haar om naar mij toe te komen.

Terwijl de zaalarts gaat fiberen pak ik het glucose apparaat. De suiker is niet afwijkend. Ik laat mevrouw ook nog even vernevelen. Misschien dat dit helpt om meer zuurstof op te nemen in de longen. Mevrouw is niet aan het hyperventileren, maar heeft een verhoogde ademhaling om de gewenste zuurstof binnen te krijgen. Voor de zekerheid prikken we een infuus. Deze was vanmorgen verwijderd, omdat het zo goed ging met mevrouw. Maar nu.. De hoge pols verraad dat het lichaam hard moet werken om het bloed rond te pompen. De tensie laat zien dat de kracht die het bloed uitoefent op de wanden verminderd. Deze is inmiddels weer verder gedaald. De saturatie laat zien dat het zuurstof gehalte in het bloed langzaam aan daalt. Mevrouw gebruikt onder tussen ook haar hulp ademhalingsspieren en ligt, in tegenstelling tot een paar minuten geleden, zeer oncomfortabel in bed. De arts prikt een astrup. Dit zijn veneuze bloedgassen die ons snel kunnen vertellen of mevrouw voldoende zuurstof binnenkrijgt, wat de zuurgraad (PH) is en hoeveel koolzuurgas (CO2) er in het bloed zit. De zuurstof voer ik op tot 5L en mijn collega pakt voor de zekerheid de crashkar erbij. Dit is een kar voor noodsituaties en bevat medicatie en voorwerpen die wij niet standaard op de afdeling hebben liggen. De aan adrenaline en een mayo-tube.

De fiber is een dunne slang die de KNO-arts opvoert in de neus, of de canule, om de ademweg goed te kunnen beoordelen. De fiber heeft een camera en een lichtje, waardoor er beeld te zien is van de ademweg. Dit ziet er niet afwijkend uit. Met de 5L zuurstof stijgt de saturatie naar 96%, maar mevrouw raakt weg. Ze is tijdelijk niet aanspreekbaar. Ze is zeer vermoeid en kan haar ogen niet meer open houden. Het happen naar adem kost te veel moeite. Gelukkig komt ze snel weer bij. De anesthesie loopt toevallig op de afdeling en komt mee beoordelen. De arts heeft ondertussen een spoed foto van de longen aangevraagd. Deze wordt op zaal gemaakt en er wordt een infuus gegeven van 500ml in 30 minuten. Dit om de bloeddruk iets op te laten lopen.

Na nog een keer zuigen en een aardige hoeveelheid slijm weghalen en na toediening van de 5L zuurstof, wordt mevrouw weer wat comfortabeler. Ze heeft het nog steeds erg benauwd, maar krijgt voor haar idee meer lucht dan hiervoor. De bloedgassen die geprikt zijn in de slagader zijn bekend en mevrouw is te goed om naar de intensive care te gaan. We behandelen haar verder op de afdeling. Gedacht wordt aan een longontsteking. De longarts wordt erbij gevraagd en beoordeeld mevrouw ook. Antibiotica wordt gestart, waarna mevrouw binnen een paar uur weer opknapt.

En nu het klinisch redeneren achter deze casus. Vul mij alsjeblieft aan als je denkt dat dit nodig is 😊 Ik ben gewend om mijn patiënten volgens de ABCDE-methode te beoordelen en via de SBAR de informatie door te geven aan de arts. Omdat mevrouw het gelijk al benauwd had, ben ik ook direct begonnen met de A. Ik ben hierna overgegaan op de B, deze lopen soms een beetje gelijk op. Op de C heb ik de arts al gebeld, omdat ik de situatie niet vertrouwde.

Airway

  • Mevrouw ademt gedurende de gehele situatie
  • Obstructie is niet zichtbaar in de canule . Uitzuigen voor de zekerheid. Brengt de eerste keer wat slijmproductie mee, de tweede keer veel slijmproductie die wordt opgezogen. De arts fibert om te controleren of dit onder de canule ook het geval is.
  • Mevrouw is de gehele tijd aanspreekbaar. Heeft een moment dat zij liever de ogen sluit, maar is hier dan goed in te corrigeren

Breathing

  • Ademhalingshulpspieren zichtbaar aangespannen
  • Ademfrequentie is tussen de 20 en 25 per minuut
  • Saturatie varieert van 90% tot 96% met 2L tot 5L zuurstof
  • De arts heeft geluisterd naar de longen en naar aanleiding van deze bevindingen een X-th aangevraagd.
  • De kleur van het sputum is bubbelig wit tot geel

Circulation

  • Bloeddruk is in eerste instantie 120/70, waarna deze na de derde keer meten daalt tot 79/45. Bij de laatste waarde wordt een fluid challenge van 500cc in 30 minuten toegediend. Infuusnaald werd dus ook ingebracht
  • De pols varieert van 90 tot 110, regulair, goed voelbaar
  • Capillaire refill is onveranderd (2sec), extremiteiten voelen ook warm aan

Disability

  • Bloedsuiker wordt voor de zekerheid gemeten, is niet afwijkend
  • Pupilreflex is reactief, 2 mm
  • Geen meningeale prikkeling. Mw. Kan de kin op de borst leggen, heeft geen hoofdpijn.
  • EMV is maximaal, op een moment na.

Exposure

  • Temperatuur is 37,5 onder paracetamol
  • Geen huidafwijkingen, anders dan passend bij de operatie, te zien
Blog serie vpk-studenten uitval 3/3

Blog serie vpk-studenten uitval 3/3

Blog 3: Ik stop ermee

‘Kan je even de datascoop pakken en langs alle patiënten van de afdeling gaan?’ werd mij gevraagd in mijn eerste stage week op een verpleegafdeling van een groot academisch ziekenhuis.

Ik was net leerling en zo gemotiveerd om een goede verpleegkundige te worden. En ik was zo blij dat ik was aangenomen in het ziekenhuis wat mijn eerste keuze was. Maar op dit moment werd het even zwart voor mijn ogen.

‘Wat is een datascoop?’ Vroeg ik.

Verkeerde vraag.

Ik werd aangekeken alsof ik dom was en de verpleegkundige die mij begeleidde zei: ‘Als je dit niet weet, dan kan je beter je spullen pakken en terug gaan naar school. Ik denk dat jij nog niet klaar bent om stage te lopen in een ziekenhuis.’

Oh wat hakte die reactie erin. Ik ben van nature best onzeker. Tijdens mijn stages hiervoor vond ik het altijd best eng om een handeling te doen. Ik ben het type wat eerst een paar keer meekijkt, dan even oefent, dan de handeling uitvoert in de praktijk en het na een paar keer te doen, het daarna pas alleen doet. Door deze reactie voelde ik mij niet goed genoeg en dit heeft mij deze hele stage achtervolgt. Dit betekent dat ik hierdoor een half jaar lang onzeker was over mijn eigen handelen.

Ik moet zeggen dat ik deze stage sowieso niet als prettig heb ervaren. Er werd van mij verwacht dat ik na een paar weken al een eigen kantje kon draaien. Dit waren ongeveer zes tot acht patiënten. Drie weken zijn negen diensten. Dit betekent dat ik in negen diensten van het begrip datascoop naar de coördinatie van zes patiënten toe moest groeien. Onmogelijk. Zeker voor een derdejaars leerling die net om het hoekje komt kijken in de ziekenhuiswereld.

Ik had mijn baantje in de thuiszorg en bij de Albert Heijn opgezegd om mij volledig te kunnen focussen op mijn duale baan. Ik voelde veel verantwoordelijkheid. Er kwamen immers hele zieke mensen naar het ziekenhuis en tijdens mijn dienst was ik als de dood dat ik een fout maakte. Dit maakte mij gek en hierdoor dacht ik maar aan één ding. Ik wilde stoppen met de opleiding. Het ging op school heel goed, maar deze stage vond ik vreselijk. En dat wat ik deed op stage, dat was immers mijn toekomstige baan, toch?

Tijdens deze stage heb ik geleerd voor mijzelf op te komen en mijn grenzen aan te geven. Ik wilde niet zo snel de verantwoordelijkheid over alle patiënten hebben, maar wilde het op mijn tempo doen. En dit tempo was ook het tempo van school. Na gepraat te hebben met mijn vriendinnen van de opleiding, en wederom mijn moeder, besloot ik te gaan praten met mijn stagebegeleider van deze afdeling. Dit gesprek had een hele nare sfeer en ik voelde mij totaal niet gehoord. Ik denk dat dit de rode draad van mijn stage periode was. Het duurde trouwens ook ongeveer zes weken voordat ik durfde te praten. Dit betekende dat ik al enkele weken in hun ogen ‘niet goed’ functioneerde, omdat ik niet mijn zes tot acht patiënten kon coördineren.

Er werd niets gedaan met mijn gevoel en mening. Dus ik schakelde de instellingsdocent van de hogeschool Rotterdam in. Deze docent vond het ook opmerkelijk hoe er met ons leerlingen werd omgegaan op de afdeling. Hij sprak de regie verpleegkundigen hier op aan, nam het voor mij op tijdens beoordeling en uiteindelijk heb ik na een half jaar de stage met hakken over de sloot afgerond. Ik vond het verschrikkelijk om een zes op mijn cijferlijst te hebben voor het geen wat ik later op een dagelijkse basis, als mijn beroep, moest uitoefenen.

Mede doordat ik de stage maar net gehaald had, en zeker door de negatieve feedback die ik dagelijks te horen kreeg, dacht ik dat ik het nooit zou bereiken om een goede verpleegkundige te zijn. Ik zag mijn toekomst nog steeds somber in en zag dit alles als falen.

Gelukkig moet je als duale student na een half jaar ruilen van afdeling binnen het ziekenhuis. In het tweede halfjaar van mijn derde leerjaar kwam ik op de Snijdende Oncologische Groep van het Daniel den Hoed. Hier werden ook hoofd en hals patiënten opgenomen en geopereerd. Ik vond de zorg waanzinnig leuk en kreeg in de eerste weken leuke en opbouwende feedback. In de eerste weken was ik stil, durfde ik maar weinig en hield ik mij op de achtergrond. Voor de mensen die mij kennen, weten zij dat dit niets voor mij is. Na die eerste weken kon ik door de complimenten die ik kreeg mij wat losser gedragen. Mijn begeleider viel dit op en ging met mij in gesprek. Ik vertelde over mijn nare ervaring op de vorige afdeling. Haar mond viel open van verbazing. Zij vertelde mij juist dat zij mij al eigen patiënten wilde geven omdat het zo goed ging.

Alles ging opeens 360 graden de andere kant op. Ik werd gewaardeerd, was onderdeel van een team, mijn collega’s hadden vertrouwen in mij en ik overzag alles wat ik deed. Ik had zelf vertrouwen en durfde steeds meer zelf op te pakken. Oh wat ben ik blij dat ik heb doorgezet. Een mindere stage maakt je in de toekomst geen mindere verpleegkundige. Ik denk dat je hier alleen maar van leert.