Zorg en technologie saai? Ik dacht het niet!

Zorg en technologie saai? Ik dacht het niet!

Binnen het Erasmus MC hebben wij sinds kort een nieuwe afdeling die zorg en technologie verbind: create4care. Aan het begin kon ik bij de koppeling van zorg aan technologie nog niet heel veel voorstellen, maar sinds ik een bezoek heb gebracht aan de create4care studio wel! In onderstaand filmpje neem ik jou dan ook graag mee naar de studio om te laten zien dat de combinatie van zorg en technologie een heleboel frustratie kan laten afnemen en dat je er tijd mee kan winnen!

Doe dit alsjeblieft WEL wanneer jij mij begeleidt..

Doe dit alsjeblieft WEL wanneer jij mij begeleidt..

Leerlingen begeleiden.. Ik schreef al drie blogs over hoe het (volgens jullie) NIET moet. We kunnen deze serie echter niet afsluiten zonder een blog hoe het (volgens jullie) WEL moet. Het is eigenlijk al weer een tijd geleden dat ik schreef wat studenten vinden als het gaat om juiste begeleiding. Dus, ik vond het wel tijd om de andere punten te delen.

Als een stage begeleider dit… doet dan voel ik mij op mijn gemak/begrepen/comfortabel/goed begeleid. Ik vroeg het wederom op mijn instagram, en dit zijn de antwoorden:

  1. Ruimte geven om te leren en om fouten te maken

In de zorg werken mensen en wij mensen maken allemaal wel eens een foutje. Je werkt (neem ik aan) in de zorg om de beste zorg te leveren die jij kan leveren. En soms gaat dat wel eens gepaard met een foutje. Een foutje om niet alle spullen mee te nemen als je een kamer op gaat en dat je daardoor een paar keer heen en weer moet lopen. Dat de patiënt daar met een open wond ligt en aan het wachten is tot jij terug komt met het juiste verbandje. Of tot een foutje wat grotere gevolgen heeft. Deze kunnen zelfs nadelige gevolgen hebben voor de patiënt. Denk aan medicatie fout toedienen of vergeten, een buisje bloed vergeten af te nemen, etc.

Als student val je onder de verpleegkundige. Die is verantwoordelijk. Dit betekent voor mij dat ik de handelingen van een leerlingen altijd wil checken, kijken of de student de juiste prioriteiten stelt. Als het gaat om risicovolle handelingen (medicatie delen, drain verwijderen, etc.) is mijn streven om er altijd één keer bij over de schouder mee te kijken als zij dit al kunnen. Deze handelingen mogen de student in principe zelfstandig uitvoeren bij ons, als het drie keer is afgetekend. Als ik de student de handeling nog nooit heb zien uitvoeren, wil ik het altijd zelf nog even zien. Niet omdat ik de student niet vertrouw, maar omdat ik het zeker wil weten dat het goed gebeurd. Het is toch mijn verantwoordelijkheid. Voorbehouden handelingen (maagsonde inbrengen, katheteriseren, infuus prikken) moeten de studenten altijd onder begeleiding van een verpleegkundige uitvoeren. Binnen deze handelingen ligt zoveel verantwoordelijkheid, dat de verpleegkundige deze moet ‘controleren’. Zo wel risicovolle handelingen als voorbehouden handelingen mag je bij ons pas uitvoeren als je dit hebt afgetoetst op school.

Als wij het dan hebben om fouten te maken binnen dit kader, denk ik dat het gaat om de studenten ruimte te geven om na te denken, spulletjes te pakken en gedachten uit te wisselen voordat de handeling daadwerkelijk uitgevoerd wordt. En voordat je samen de patiënten kamer betreedt. Hiermee geef je de student ruimte om fouten te maken. Dat is niet erg. Wij – gediplomeerd verpleegkundigen –  moesten het ook allemaal leren. Als je als student dan goed het protocol doorgelezen hebt, maar toch iets vergeet, kan je tijdens de handeling (denk ik) prima bijgestuurd worden door een verpleegkundige. Gaande weg leert men, toch?

2. Samen verwachtingen bespreken en deze evalueren

De student maakt altijd een POP/PAP of startdocument. Hierin wordt de beginsituatie beschreven, de leerdoelen en dus het uiteindelijke niveau waar de student heen wilt groeien. Als dit niet besproken wordt en dus geen verwachtingen besproken worden, heeft de student ook niet een leerdoel om zich in te ontwikkelen. Het bespreken van verwachtingen zorgt er voor dat studenten zich op hun gemak voelen. Doen dus!

3. Feedback bespreken

In de ‘doe dit NIET’ blog kwam duidelijk naar voren dat roddelen niet kan en dat feedback geven waar anderen bij zijn (of helemaal geen feedback geven) ook niet gewenst is. Maar wat is dan goed? Misschien valt dit onder punt 2. Als jij bespreekt met de student wat hij of zij een prettige manier vind om aangesproken op te worden, dan kan je deze manier toepassen (indien gewenst) en op deze manier feedback geven. Als leerling vond ik het bijvoorbeeld heel fijn om direct mijn feedback te horen, maar wel op de gang, zodat de patiënt het niet kon horen. Dit kon soms niet altijd, maar ik vond het wel prettig als hier rekening mee werd gehouden. Als de feedback direct bij patiënten of andere verpleegkundigen werd besproken, kon dit mij namelijk onzeker maken. Nergens voor nodig, denk ik achter af, want iedereen leert. Maar, zo voelde ik mij toen wel.

4. Theorie vragen stellen

Studenten geven aan dat zij het prettig vinden dat er tussen de handelingen door theorie vragen worden gesteld. Denk bijvoorbeeld aan een sonde in brengen. Waarom meet je de sonde nu op? Waarom meet je de PH? Wanneer mag je beginnen met toediening van vloeistoffen over de sonde? Zij laten weten geprikkeld te worden tot nadenken tijdens een handeling. Ik denk dat dit ervoor zorgt dat een student niet klakkeloos een handeling doet, maar er echt over na denkt. Uiteindelijk kunnen we allemaal een kunstje leren, maar het gaat om de onderliggende laag. Waarom doe je een handeling? Wat voor gevolgen heeft die handeling? Wat zijn de complicaties?

5. Betrekken in overleggen

Studenten willen bij het team horen (logisch!). Betrek ze in overleggen over de afdeling, laat ze nadenken. Zo hebben wij een keer in de zoveel weken een dag evaluatie waarin het verbeterbord wordt besproken. Een leerling kwam een keer met een super goede suggestie om een punt in te brengen en heeft hierdoor veel collega’s hun manier van werken doen laten inzien. Studenten horen ook bij het team. Zij nemen de frisse wind mee, de nieuwe expertise. Zij zijn kritisch over ons handelen en kunnen dit signaleren. Soms zitten we zo vast geankerd in onze patronen, dat wij – gediplomeerd verpleegkundigen – die patronen niet in zien. Juist door studenten te betrekken in het team kan het team kwalitatief verbeteren en wordt het alleen maar gezelliger!

6. Interesse tonen

Vraag je leerling hoe het gaat. Hoe zij of hij zich voelt. Waar hij of zij gelukkig van wordt en welke manier van begeleiden hij of zij prettig vinden. Wij vinden waardering belangrijk. Dat zie je nu ook met de hele corona crisis. Wij voelden, en misschien voelen, ons niet gewaardeerd als wij zouden willen. De zorg was een ondergeschoven kindje en er ging weinig aandacht en geld (salaris) naar toe. Tot de laatste weken dan.. Maar, als wij dit gevoel hebben, dan hebben leerlingen dat ook. Zij stappen immers in een nieuw beroep in en willen zich daarmee identificeren. Hoe fijn is het dan dat zij waardering voelen van hun begeleider, dat er interesse in hun wordt getoond.

7. Aanmoedigen om grenzen te verleggen

Hier moest ik wel over nadenken toen ik het las. Een student schreef dat zij gemotiveerd werd door een PEP-talk. Dat je laat zien dat je in een student gelooft, opbouwende feedback geeft en complimenten uitdeelt. Ik moest nadenken.. Want, dit vind iedereen fijn toch? Zullen we het dan tijdens het leerlingen begeleiden alsjeblieft niet vergeten.

8. Als ik iets zelfstandig kan, mij dat laten doen

Dit gaat dan denk ik om punt 1 en dan de risicovolle handelingen. De studenten vinden het niet prettig als er continu over hun schouder wordt meegekeken. Dat begrijp ik. Dat vond ik ook niet. Dit gaf mij namelijk het idee dat ik het niet goed genoeg deed en hierdoor was ik bang om fouten te maken. Best grappig. Want nu vind ik samenwerken juist super fijn en sta ik helemaal open voor de feedback van mijn collega. Ik denk dat je hierin groeit en ik snap dus volkomen dat je dit als student niet prettig vind. Geef het aan, bespreek het. Dan komen we gelijk weer op punt 2.

9. Niet voor het blok zetten

Soms is dit echter wel nodig. Niet continu. Maar, zelfvertrouwen groeit door dingen te doen. En als je het niet doet, dan is een klein duwtje soms wel nodig. Dan zie je dat je het wel kan. Maar dit kleine duwtje kan denk ik alleen maar gegeven worden als je er echt klaar voor bent. En je ‘pushen’ om iets te doen is niet fijn. Zie de positieve kant hiervan in. Diegene die jou begeleiding geeft, die denkt dat je het kan. Nu jij nog!

10. Stage opdrachten begrijpen

Oef. Dit is echt een taak voor de studenten begeleider van de afdeling, niet zo zeer een verpleegkundige die studenten begeleidt. Natuurlijk moet je als verpleegkundige wel weten waar je student mee bezig is, maar bij ons worden de opdrachten nagekeken door een verpleegkundige die gespecialiseerd is in studenten begeleiden. Ik denk dat dit wel echt meer waarde geeft. Hierdoor weet zij tot in de puntjes waar aan je moet voldoen en kan je altijd even langslopen.

Loop jij tijdens je stage ergens tegen aan? Bespreek het met je instellingsdocent van school en met je begeleiders. Heb ik nog wat gemist in deze blog? Laat het mij weten!

Een vlucht door het ziekenhuis met Covid-19

Een vlucht door het ziekenhuis met Covid-19

De lente is begonnen. Inmiddels is heel Nederland gewend geraakt aan thuiswerken en afstand houden, `Quarantaine’ en ‘Corona’ zijn onderdeel geworden van ons dagelijks vocabulaire. Met het mooie weer en de fluitende vogels is de drang om in grote getalen het park, het bos of het strand op te zoeken moeilijk te weerstaan. Desalniettemin hoop ik dat de ‘balkonlanden’ voorlopig ieders favoriete bestemming blijven. Steeds meer mensen worden van dichtbij geconfronteerd met het Coronavirus en de impact die het heeft. Wij als verpleegkundigen in het bijzonder: met hart en ziel zorgdragend voor de zieke patiënt die wordt binnengebracht.

Het is alweer een maand geleden dat de eerste twee verpleegafdelingen werden ingericht als Corona cohortafdeling in ons ziekenhuis. Voor de verpleegkundigen werkzaam op deze afdelingen was dit spannend, onzeker en kostte het tijd om te wennen aan de nieuwe situatie. De fysieke beperking van het continu werken in strikte isolatie en het onzekere ziekteverloop van het corona virus bij patiënten waren pittig. Daarnaast waren er veel vragen: Gaan we Italië achterna en moeten er met vliegende vaart nieuwe corona afdelingen ingericht worden? Hoe lang duurt dit nog?

Middelen en maatregelen om het Coronavirus te lijf te gaan lieten in elk geval niet lang op zich wachten. In een – haast militaristische – operatie is er binnen enkele dagen een triagetent opgezet. Op de parkeerplaats van de SEH worden patiënten gezien door de SEH verpleegkundige, de arts en wordt er lab en een keelkweek afgenomen. Ook wordt er in een mobiele CT-scan een scan van de longen gemaakt. Met deze scan kunnen we al in een vroeg stadium afwijkingen aan de longen zien die mogelijk kunnen duiden op besmetting met het Corona virus.

Hoewel de techniek een essentiële rol speelt, is de mens die de techniek bedient nog velen malen belangrijker. Verpleegkundigen uit het hele ziekenhuis worden ingezet om samen te vechten tegen het Coronavirus. Het is mooi om te zien dat er elke dag weer een nieuw samengesteld team in de triage tent staat met disciplines vanuit het hele ziekenhuis. Van verpleegkundigen, fysiotherapeuten en OK-medewerkers tot medisch studenten. Allemaal met hetzelfde doel voor ogen, ondanks alle belemmeringen. Door een spatbril heen laten zien dat je er voor iemand bent. Een persoonlijk praatje maken, geruststellen en laten weten dat ze bij ons in goede handen zijn doet vaak goed bij de zieke, benauwde en soms angstige patiënten die binnenkomen.

De eerste kleine lichtpuntjes dienen zich aan. De laatste nachten op de SEH, nu begin april, lijken rustiger te zijn. Er worden minder patiënten opgenomen. De eerste patiënt op de Intensive Care in ons ziekenhuis is na 20 dagen op de Intensive Care van de beademing af. Dat geeft hoop. Voorzichtig aan durven deskundigen landelijk te benoemen dat de curve wat lijkt af te vlakken, de incidentie neemt voor het eerst af in plaats van toe. Hoewel ik van nature optimistisch ben maak ik me ook zorgen over de collateral damage. Dat is een term die binnen defensie wordt gebruikt voor ‘bijkomende schade’. Niet-Corona patiënten melden zich namelijk weinig op de SEH. Dus: wat staat ons te wachten als we deze pandemie straks onder controle hebben?

Wat er ook komen gaat: ik heb vertrouwen in jou. Ik ben trots en vind het mooi om te zien hoe zoveel zorgprofessionals en alle disciplines samenwerken en zich dubbel en dwars inzetten. Samen zoeken we naar mogelijkheden en streven we naar kwaliteit van zorg voor onze patiënten.

Een dienst op de corona intensive care

Een dienst op de corona intensive care

De angst en de onzekerheid in zijn blik was goed te zien. Ik moest tijdens mijn dienst op de corona intensive care mijn patiënt gaan uitleggen dat wij hem zouden gaan ondersteunen met de beademing. Er worden zoveel vragen gesteld, die ik soms niet kan beantwoorden. En familie kunnen zij niet zien op de meest angstaanjagende momenten in hun leven. In deze anonieme gastblog lees je mee hoe het er op een corona intensive care aan toe gaat.

Sinds een paar dagen is onze intensive care omgebouwd tot een corona intensive care. De gehele afdeling wordt gezien als ‘besmet’. Ik moet mij eerst volgens de regels aankleden met de juiste bescherming voordat ik de afdeling mag betreden. Dit betekent dat ik een FFP2 mondkapje, een haar kapje (aangezien ik lang haar heb), een spatbril of vuurwerkbril, een geel schort en handschoenen moet aantrekken. Zolang ik op de corona intensive care ben, moet ik deze bescherming aanhouden. Het mondkapje zit niet erg comfortabel, maar na een tijdje begin ik hier aan te wennen. Zolang ik druk bezig ben vergeet ik de irritatie eraan vanzelf. 

Deze dienst zorg ik voor een 58-jarige patiënt. Hij stond nog vol in het leven, werkte veel en had weinig gezondheidsklachten. Zo slikt hij enkel medicatie voor zijn bloedsuiker en heeft hij nog nooit in het ziekenhuis gelegen! Deze meneer is van de normale corona afdeling naar de intensive care gekomen omdat het ademen veel te zwaar werd. Dit komt door de dubbele longontsteking die is ontstaan door het corona virus. De enige behandeling die wij deze patiënten nu kunnen bieden is ondersteuning bij de ademhaling zodat zij niet aan zuurstof tekort overlijden. We proberen hiermee tijd te winnen zodat de longen weer kunnen herstellen uit zichzelf.

Op het moment dat ik mijn patiënt ging uitleggen dat wij denken dat wij hem moeten gaan ondersteunen met de beademing, merkte ik veel ongeloof bij mijn patiënt. Hij had direct heel veel vragen. De angst en onzekerheid was goed te zien in zijn blik. Ik vond het erg lastig om mijn patiënt gerust te stellen, omdat ik nog weinig antwoorden kan geven op vele vragen, ook de artsen hebben deze antwoorden nog niet. Als de patiënt aan de beademing gaat, wordt hij hiervoor in slaap gebracht. Voordat deze meneer in slaap werd gebracht, heb ik aangeboden om nog even te video bellen met zijn familie, aangezien zijn familie niet meer langs kan komen. Als de patiënt zelf geen smartphone heeft, dan regelen wij deze voor de patiënt. Dit is het enige wat wij nog kunnen bieden nu er helemaal geen bezoek langs mag komen.

Op het moment dat de patiënt geïntubeerd ging worden heb ik de familie nog even gebeld om informatie te geven en eventuele vragen te beantwoorden. Wederom waren er heel veel vragen waarop ik niet altijd een antwoord heb. Familie stelt vaak veel vragen opzoek naar hoop, meer zekerheid en vertrouwen. Wij als intensive care personeel willen deze hoop en vertrouwen heel graag geven maar dat kunnen wij niet doen. Wij kunnen geen valse hoop geven. Bij de familie hebben wij aangegeven dat wij alles gaan doen om de patiënt weer beter te maken, meer kunnen wij niet beloven.

Ik merk dat bij alle collega’s op de intensive care en in het gehele ziekenhuis veel spanning en onzekerheid is. Wij vinden allemaal de kwaliteit van zorg heel belangrijk, zo zijn wij ook opgeleid. Daarom zijn wij ook voornamelijk bang dat de kwaliteit van zorg verslechterd omdat wij voor veel meer ernstig zieke patiënten tegelijk moeten gaan zorgen. Het ziekenhuis doet er alles aan om zo effectief en veilig mogelijk te werk te gaan in samenwerking met elkaar. Ik ben enorm trots op het ziekenhuis waar ik werk en het gehele team van de intensive care!

Wanneer thuis sterven niet meer kan

Wanneer thuis sterven niet meer kan

‘Mag ik dan thuis sterven?’ vroeg hij hoopvol.
Zijn vriendelijke gezicht keek de arts vragend aan.
Er viel een stilte.

Het was een moeizaam moment. Deze meneer had net een maand geleden zijn eerste chemokuur gehad. Nu was hij opgenomen wegens pijn en toenemende benauwdheid. Dat de kanker in een ruime maand zo enorm veel gegroeid zou zijn, had niemand zien aankomen. Dit was het ergste scenario. De longarts kon dit echter nog niet 100% bevestigen en een familie gesprek met de hoofd behandelaar ging nog plaatsvinden later op de dag. Meneer had nog meer vragen. Hij praatte er snel overheen.

‘Ik vind het zo vervelend dat ik niet meer kan doen. De pijn is nu onder controle, maar mijn conditie stelt niets meer voor.’
Puffend lag hij in bed. Hij had twee zinnen gezegd. Zijn vrouw liet zijn arm los en stond op om de zuurstof wat hoger te zetten.
We bespraken een fysiotherapeut. De ziekte zelf. De mogelijkheden van de pijn en vermoeidheid. Vocht in de longen, een longontsteking, en ga zo maar door. Maar de vochtafdrijvende medicijnen hadden niets uitgehaald en de longfoto liet geen ontsteking zien. Een moeilijk moment, waarbij je als verpleegkundige meer weet dan de patiënt.

De dienstdoende longarts zei aan het einde van het gesprek: ‘Nu hebben we alles wel besproken, maar zijn we niet ingegaan op uw wens om thuis te sterven. Zullen we dit bespreken?’. Meneer fronste zijn wenkbrauwen. De longarts kwam naast hem op bed zitten. En zijn vrouw pakte een stoel. Wat er toen gebeurde was mooi. Meneer vertelde over zijn wens om naar huis te gaan, comfortabel te zijn en geen benauwdheid meer te ervaren. Natuurlijk was er medicatie gestart wat allemaal zou moeten werken, maar hij was op. Het hoefde niet meer.

In de namiddag, na mijn dienst, had deze meneer samen met zijn vrouw een familie gesprek met de hoofdbehandelaar. Hierin werd duidelijk dat het ging om toename van de kanker en dat er gekeken moest worden om naar huis te kunnen gaan. Meneer wilde euthanasie. Het was een lijdensweg geworden. Hij ervoer geen kwaliteit van leven meer en had al twee jaar een weg vol met obstakels moeten doorstaan. Het was genoeg.

In de komende uren werd hij meer benauwd. En toen ik de volgende dag mijn avonddienst begon, zag hij het allemaal niet meer zitten. De ademhaling ging omhoog, zuurstof opnemen was moeizaam, plassen lukte bijna niet meer en het enige wat hij deed was op bed liggen. Zijn vrouw en zoon zaten bij hem en we bespraken zijn euthanasie wens. Ik vraag vaak wat kwaliteit van leven voor mijn patiënten betekent. Want ik kan wel iets ervaren als kwaliteit, maar als je ziek bent en niet meer beter wordt, wat is kwaliteit van leven dan nog en wat ervaart de patiënt?
‘Ik vind het maar knap hoe u alles aanpakt. Zo vast beraden en doordacht. U neemt u hele familie mee in het besluit en dat vinden zij zichtbaar fijn.’
Meneer was dankbaar. Maar het klopte. De warmte die deze familie uitstraalt is zo mooi om te zien. Het er voor elkaar zijn en in rust over de moeilijkste onderwerpen praten. En het belangrijkste. Iedereen liet elkaar in zijn waarde. En zo werd de euthanasie wens besproken.

De longarts kwam weer langs om alles in gang te zetten. Van de fentanyl pomp werd over gegaan op een morfine pomp. Morfine kan namelijk in de thuissituatie makkelijker toegediend worden dan fentanyl. De ketanest pomp zou langzaam worden verlaagd en er zou een evenwicht gezocht worden voor goede pijnstilling. Er zou.
‘Het hoeft voor mij niet meer. Ik houd het niet meer vol. Ik trek het niet meer.’ vertelde meneer toen hij deze plannen hoorde.
In het ziekenhuis sterven was niet zijn wens, maar werd toen wel besproken. En hiermee ging meneer eigenlijk zo snel als hij kon mee akkoord. Zolang hij maar vrij was van die benauwdheidsklachten. Met elke ademteug leek het of hij geen lucht binnenkreeg, ging zijn lichaam zweten om te kunnen werken en werd hij meer vermoeid. Het was geen doen meer.

We spraken af dat we sedatie zouden gaan starten. Omdat hij zoveel last had van die benauwdheidsklachten, was dit de beste optie. Dit betekent dat hij in slaap zal worden gebracht met Midazolam en zal overlijden aan de gevolgen van de ziekte, maar niet aan de medicatie. Euthanasie was op deze korte tijd niet te bewerkstelligen.

Het was een kille sfeer op de afdeling. Alle familie kwam tegelijkertijd afscheid nemen. Iedereen kon nog met hem praten. Zijn vrouw coördineerde alles en zijn kinderen bleven zo kalm. Na een uur gepraat te hebben, geskyped te hebben met andere familie leden was het tijd. Hij had de zeggenschap. Hij vertelde wanneer ik de Midazolam moest toedienen. Aangezien hij veel pijnmedicatie had, was de kans groot dat hij gelijk zou gaan slapen. Maar goed ook dat we daarop gerekend hadden, want dit deed hij ook. Vredig, rustig, in een kamer met al zijn geliefden. Op zijn manier, op zijn tempo. En hopelijk zonder benauwdheidsklachten.

Klinisch redeneren: Het bleef maar bloeden

Klinisch redeneren: Het bleef maar bloeden

Het was weekend en het leek een best wel fijne dag te worden. Mijn collega en ik moesten rekening houden met een nieuw opgenomen patiënt. Hij was in de avonddienst gekomen vanuit de periferie na een operatie aan de tong. Een deel van zijn tong was vorige week op onze afdeling operatief weggehaald omdat daar kanker in zat. Je tong is een van de meest doorbloedde organen en om deze reden is een nabloeding ook een reële complicatie. Deze meneer had thuis al fors gebloed, was toen naar een ziekenhuis in de buurt gebracht met de ambulance, maar die durfde het niet aan om hem op te nemen. Als hij weer zou gaan bloeden hadden ze niet de juiste expertise en instrumenten in huis. Dus werd hij naar onze afdeling gebracht.

Het team waar mijn collega en ik op stonden vandaag lag behoorlijk vol, maar het was zaterdag, dus alles kon wat rustiger aan. De arts komt later visite lopen, enkel spoedoperaties worden verricht en spoed onderzoeken. Dit betekent dat de patiënten meestal na zeven uur in de ochtend nog even kunnen dutten en dat niet alles snel snel snel hoeft. Heerlijk vind ik dat. Nog lekkerder vind ik de zondag werken, want dan ken je de patiënten van de zaterdag nog en kan alles nog een tikkeltje meer rustig aan. Deze meneer wilde ook uitslapen had mijn collega mij verteld. Ik was nog niet binnen geweest op de patiëntenkamer van meneer en was een andere patiënt aan het helpen. Deze andere patiënt had net een totale laryngectomie gehad. Hierbij bevestigen de chirurgen de luchtpijp aan de hals. Hierdoor ontstaat er een eindstandig stoma waar de patiënt door ademt. Deze operatie wordt gedaan om de kanker in bijvoorbeeld het strottenhoofd weg te halen. De patiënten die deze operatie ondergaan vinden hierna douchen meestal wel eng. Je ademt als het ware door een gat en hier mag geen douchewater in komen, want dan verdrink je. De patiënt waarbij ik stond had al een keer zelfstandig gedouched, dus durfde het wel aan. Ik zou zijn bed afhalen en opnieuw opmaken, terwijl hij onder de douche stond. Als er wat was, was ik dichtbij. Maar dit plan liep anders dan verwacht.

Ik had nog maar net de lakens van het bed gehaald of de bel van de opname van gisteren avond gaat af. Ik dacht in eerste instantie dat hij wakker was en wilde gaan douchen. Maar nee. Eenmaal in de kamer aangekomen zag ik een bloedspoor van het bed naar het toilet. Dit is ongeveer drie a vier meter. Om de 30 centimeter lag een dikke druppel bloed. De patiënt hing boven het toilet. Beide handen aan de beugels die naast het toilet hangen, het bloed wat uit de mond spoot en de badkamer die ook onder het bloed zat. Het was een niet zo’n fraai gezicht. Gelijk drukte ik mijn persoonlijke alarmknop op mijn pieper in, de assistentie bel aan de muur en ging ik meneer helpen. Hij was niet duizelig, goed aanspreekbaar en dacht dat het beter zou zijn om op het toilet te bloeden dan in bed. Ik wilde meerdere dingen gelijk doen en hierin neem ik jullie mee aan de hand van de ABCDE-methode. Op mijn instagram had ik jullie al gevraagd wat je bij welke stap dient te doen. Eerst zal ik jullie antwoorden delen (in totaal hebben er steeds rond de 75 mensen gereageerd, dus de antwoorden zijn gebundeld), hierna vertel ik het verhaal en als laatste laat ik weten wat er volgens de ABCDE-methode allemaal gedaan moest worden.

De antwoorden van instagram

Airway

  • Is de luchtweg vrij?
  • Manier van ademen
  • Hoorbare ademhaling
  • Controleren op een snurk of stridor
  • Manier van zitten bij een bloeding
  • Obstructie
  • Stand van de trachea
  • Zitten er dingen in de mond (corpus alienum) / mond inspectie

Breathing

  • Ademhaling
  • Is er zuurstof nodig
  • Saturatie
  • Frequentie van de ademhaling
  • Gebruik van hulp ademhalingsspieren
  • Cyanose
  • Stridor

Circulation

  • Bekijk de bloeding
  • Wat is de hartslag
  • Wat is de bloeddruk
  • Circulatie
  • Hoeveel bloed is er verloren
  • Capillaire refill
  • Hoeveel infusen hebben we
  • Afnemen van kruisbloed
  • ECG maken

Disability

  • Botbreuken
  • Bewustzijn
  • Mobiliteit
  • Neurologische toestand
  • Hersenen
  • EMV, AVPU score
  • Bloedsuiker
  • Pupil PEARL score
  • Reactie

Het verhaal

Bij binnenkomst in de badkamer wilde ik direct tranexaminezuur op het bloedende gedeelte doen. Ik wist dat het bloed uit de mond kwam, maar ik wist de exacte focus niet. De patiënt kon zijn mond open doen en het spoot vanaf zijn rechter zijde. Ik had in de badkamer niets voor handen, dus duwde ik mijn hand met handschoen en handdoek in de mond. Mijn collega’s reageerde vrij snel op de assistentie bel. Hierdoor kon ik de andere handelingen die ik wilde doen ook verrichten. Ik weet niet meer wie wat deed, maar er werd een rolstoel gehaald om de patiënt van het toilet naar het bed te rijden, er werd ijs gehaald om in de nek te doen, tranexaminezuur om dit op gazen te doen die in de mond konden, de dienst doende arts werd gebeld door een collega en een andere haalde het controle apparaat. Bedenk dat wij deze dag maar met vier gediplomeerde verpleegkundige werkten en één leerling. Allemaal hebben we iets gedaan, in zo’n korte tijd en heel snel.

Toen meneer op bed lag, hebben we gelijk het bed in een zittende houding ingesteld en konden we met de controles die bekend waren een algeheel beeld bepalen. Het fijne was dat ik het idee had dat ik het juiste plekje in de mond te pakken had. Ik kon gericht de wond stelpen. Het bloed spoot nog steeds langs mijn hand, in het bekkentje onder zijn mond. De zuig kon het zuigen soms niet meer aan en verstopte in het bloed. Ik denk dat mijn collega om de paar minuten een bekertje water aan mij moest geven, zodat ik de zuig door kon spoelen. De tensie was iets van 85/45, een pols rond de 110 en een saturatie van 95%. Meneer was niet benauwd, leek niet te aspireren in zijn bloed en kon nog ademen door zijn neus. Voor de lage bloeddruk belde we het SIT team. De KNO-arts was onderweg van huis, maar we vonden het allemaal wel een fijn idee als er nog iemand mee keek. Ze zouden er aan komen. Tevens dacht ik aan nog een infuus. Over het infuus van meneer liep tranexaminezuur IV en met de lage tensie moesten we meneer wel gaan vullen. Hij had geen cardiale voorgeschiedenis, dus ik durfde dit eigenhandig te beslissen.  Hiernaast hebben we gelijk wat buisjes bloed afgenomen. Met zo’n bloeding weet je zeker dat er packed cells gegeven moeten gaan worden. Om te bepalen welke packed cells de patiënt mag gaan krijgen is er kruisbloed nodig.

Het bloed zocht de weg van de minste weerstand op en dat is ook de neus. Het leek even te zijn gestopt, net op het moment dat het SIT team binnen kwam. Meer dan wat wij gedaan hadden, konden zij niet doen. Meneer was voor alsnog stabiel, bloeding leek gestopt en de tensie kroop iets op. Nog geen paar minuten later begon het weer heftig te bloeden. Uitzuigen, afdrukken, tranexaminezuur gazen, coldpack in de nek. We deden alles wat we konden. Voor de zekerheid sloten we een non-rebreathing masker aan, voor ondersteuning. Een zak van 500cc werd in 30 minuten toegediend. De tranexaminezuur IV liep ook in. De KNO-arts was inmiddels aangekomen en we moesten naar de OK toe. Het werd een spoed operatie.

Ik kon niets anders bedenken dan op het bed te klimmen. Het afgelopen half uur was ik immers de bloeding aan het afdrukken. Ik wist waar ik moest drukken. Daarnaast zat ik toch al onder het bloed, zat ik er goed in en wist ik ook waar ik moest zuigen. En niet het onbelangrijkste.. meneer en ik konden goed met elkaar communiceren. Ik leek steeds te begrijpen wat hij bedoelde en hij kon mijn vragen steeds beantwoorden. We maakten de patiënt klaar voor vervoer. Een draagbare zuig, zuurstof, nog meer tranexaminezuur gazen, intubatie set voor de nood en het broodje van het SIT team ging mee. Een broodje is een mobiel controle apparaat. Het bloed begon te golven uit de mond en neus. Het zuurstof kapje kwam vol te zitten. Ook dit moest ik uitzuigen. Ondertussen was ik op het bed gaan zitten, met mijn sokken aan en mijn klompen nog op de vloer. De rest maakte meneer verder klaar voor transport. En daar reden we. Richting de operatie kamer. De verkoever sloegen we over, we hielpen met zijn alle meneer op de operatie tafel en op mijn sokjes kon ik terug lopen naar de afdeling.

De volgende dag mochten we meneer halen van de PACU. Dit is de post anesthesie afdeling. Meneer herkenden ons nog. Hij had het goed overleefd en had er geen complicatie aan overgehouden. De dag erna vroeg hij aan een collega of zij diegene was die op het bed was komen zitten. Ik werkte een avonddienst en liep naar binnen. Ik vertelde hem dat ik diegene was. We hebben gepraat over de situatie, hij leek alles bijzonder mooi te vinden, we hebben alles doorgenomen en elk stapje besproken. Het deed mij goed. En hem. En de volgende dag, toen meneer naar huis toe mocht, liet hij mij vol trots zien aan zijn zoon. Hij kon maar niet begrijpen dat ik met mijn hand in zijn mond zat, tegelijkertijd kon zuigen en het niet erg vond om in mijn witte pak op het bed met bloedvlekken te kruipen.


De ABCDE-methode


Airway (Ademweg)

  • Inspectie van de mondholte
    • Waar komt de bloeding van aan?
    • Zitten er stolsels in de mond?
    • Is er een ademweg obstructie?
  • Luisteren naar de ademhaling
    • Hoor ik de ademhaling
    • Is de patient hees?
  • Bij de inspectie voel je de lucht uit de mond komen
  • Om de ademweg vrij te houden wordt er uitgezogen
  • Uit voorzorg wordt er een intubatieset meegenomen
  • Het bed in zithouding zetten

Breathing (oxygynatie en ventilatie)

  • Welke kleur heeft de patiënt? Cyanose?
  • Hoe is de ademhalingsbeweging? (luisteren, tellen en voelen)
  • De IC-arts luisterde naar de longen van de patient
  • Voor de zekerheid gaven we wat zuurstof
  • Saturatie in de gaten houden

Circulation (circulatie)

  • Huidskleur?
  • De bloeding hoort hieronder (uitwendig zichtbaar bloedverlies)
  • Zijn de halsvenen gestuwd?
  • Wat is de capillaire refill?
  • De IC-arts luisterde naar het hart
  • De bloeddruk en pols werd gemeten. Bloeddruk aan de lage kant, pols was hoog.
  • Bloedingen werden gestelpt met eerst een handdoek en daarna tranexaminezuur gazen
  • Tweede infuus werd geprikt
  • Kruisbloed (bloedgroep, antistoffen) werd afgenomen
  • Extra vocht werd toegediend
  • Tranexaminezuur IV werd toegediend

Disability (bewustzijn en neurologische uitval)

  • Maximale EMV. Continu aanspreekbaar geweest
  • Pupillen hadden geen afwijkingen
  • Glucose werd niet gecontroleerd (geen diabeet, geen aanwijzingen voor: behandeling eerst wat dood / treat first what kills first)

Exposure (omgeving)

  • Dit betreft de huidafwijking van de wond na de operatie (verwonding)
  • Geen zwelling zichtbaar
  • De temperatuur werd gemeten en gaf geen bijzonderheden
Klinisch Redeneren: Mijn patiënt kreeg geen lucht meer

Klinisch Redeneren: Mijn patiënt kreeg geen lucht meer

Het was een rustige dienst. En wat baal ik ervan dat mijn collega’s en ik dit hard op met elkaar besproken. We genoten van het feit dat het weer eens wat rustiger was op de afdeling. De laatste weken, maanden, was het rennen en vliegen geweest. Aan het einde van de dienst was je blij dat je al je ‘taken’ had kunnen doen, maar de patiënt verloor je al snel uit het oog. Dit laatste klinkt gek, maar als je een stuk of zes a acht patiënten hebt om voor te zorgen, je van deze patiënten de helft in de ochtend al moet helpen met de verzorging, een verse lap controle hebt waarbij je om de zoveel uur het huidtransplantaat moet beoordelen, dat je bij verschillende patiënten de trachea canule moet druppelen en hierbij dan nog spoed opnames komen of onvoorziene zaken als een ernstig zieke patiënt waar je eigenlijk één op één voor wilt zorgen, dan vliegt je dag zo voorbij. En als je dag dan voorbij gevlogen is, dan bedenk jij je dat je graag even naast het bed van die ene patiënt was gaan zitten, had willen praten over de vreselijke nacht die hij had doorgemaakt, over de operatie die hij had ondergaan, het veranderde zelfbeeld of gewoon een leuk gesprek over of met zijn familie en vrienden. Maar dat lukt dan niet. En ik vind, dat je dan de patiënt uit het oog verliest. Want, achter de patiënt zit een mens.

Ik dwaal af. Het was dus een rustige dienst. Het was gezellig op de afdeling, iedereen had zin om te werken en we bespraken de gekste dingen in de koffiepauze. Het gebeurde op de afwisseling van de koffiepauze. De tweede ploeg mocht koffie drinken en dit zorgde ervoor dat de collega waar ik mee samenwerkte deze dag met een paar andere collega’s in een afgezonderde ruimte op de afdeling bij konden komen van de ochtendzorg.

Doordat de collega waarmee ik samenwerkte nog niet zo lang werkzaam is op de afdeling hadden wij een to-do lijst gemaakt. Hier stonden alle dingen op die wij die dag moesten doen, de dingen die erbij waren gekomen van de artsenvisite en als wij iets hadden gedaan, dan streepte wij dit af. Ik keek op de lijst en zag dat er bij een patiënt nog een drain verwijderd moest worden. Terwijl ik mijn spullen aan het pakken was om de drain te kunnen verwijderen, ging mijn zoemer af. De mevrouw die belde was een aantal dagen geleden geopereerd aan haar mondbodem. Hier zat kanker in. Deze kanker is eruit gesneden tijdens de operatie en tevens zijn er wat lymfeklieren meegenomen. Doordat het operatie gebied (de mond en dus ook de luchtweg) erg kan opzwellen, kan het voorkomen dat de patiënten erg benauwd kunnen worden. Om dit te voorkomen hebben deze patiënten een trachea canule.

Op de kamer aangekomen maakte deze mevrouw bewegen rondom haar hals. Alsof iemand haar vastpakte en wilde laten stikken. Mensen met een canule kunnen soms niet praten. Als de patiënt net geopereerd is, dan heeft de patiënt een gecuffte canule. Dit is een canule met een ballon om de canule heen. Deze ballon heet de cuff en zorgt ervoor dat de patiënt alleen maar kan ademen door de canule, want door de mond kan de lucht niet passeren. Dit betekent dat er ook geen lucht langs de stembanden kan komen en de patiënt dan niet kan praten. Deze mevrouw had gisteren een ongecuffte canule gekregen. Dit betekent dat er geen ballon om de canule zit en zij kan dus ook door haar mond heen ademen. Echter is het operatie gebied nog erg gezwollen. Dit komt door de huidtransplantaat in de mondbodem en door de operatie zelf. Dit trekt in de loop van de tijd weer weg, maar zorgt ervoor dat de patiënt de canule nog wel nodig heeft.

Voor mij is het vrij logisch dat als ik een kamer binnen kom en dat dan de patiënt benauwd is, ik begin met het inspecteren van de canule. Ik haal de binnen canule eruit, maak deze als het nodig is schoon en stop deze dan terug. Dit was niet het geval. De binnen canule was schoon. Hierdoor was de patiënt dus niet benauwd. De volgende stap is het druppelen. Het sputum kan in de weg zitten, waardoor de patiënt geen lucht krijgt. Misschien zit er wel een sputumprop die de doorgang net onder de canule afsluit. Dit kan een prop van slijm zijn die bij het in- en uitademen tegen de onderkant van de canule aan komt. Als patiënten met een canule dit hebben, kunnen ze erg benauwd worden. De canule is namelijk de ademweg en het propje zorgt er dan voor dat er geen lucht kan passeren. Ik druppel de patiënt met 2ml NaCl 0,9%. Dit druppelen gaat met een mondkapje, een spatbril en handschoenen aan. Het sputum vliegt namelijk alle kanten op. Er komen aardige slijmklodders mee. In tegenstelling tot vanmorgen lijk ik ook veel slijm te horen in de longen en in de canule. Ik vul opnieuw een spuit met wat NaCl en druppel opnieuw. Het slijm ziet bubbelig, een beetje wit en een beetje geel. Meestal hebben de patiënten het na deze handeling niet meer benauwd. Maar deze mevrouw houdt het gevoel dat ze stikt. Ze kijkt me met grote ogen aan, een beetje boos en houdt haar handen wederom rondom haar hals.

Als laatste redmiddel heb ik mijn zuig nog. Ik realiseer mij dat deze mevrouw misschien ook wel een zuurstof te kort heeft. Omdat ik net al gedruppeld heb en weet dat het niet aan de doorgang van de canule ligt, pak ik snel een datascoop. Dit is een controle apparaat. Ik doe de saturatie meter aan, doe de bloeddruk band om en meet de temperatuur. Normale waarden. Ik laat het controle apparaat nog naast mevrouw staan en begin met mij opnieuw aan te kleden met een mondkapje, een spatbril en handschoenen. Ik zet mijn laatste redmiddel in, het is ongemak die niet te zien is in de vitale parameters. Ik kan wat slijm wegzuigen uit de canule, maar het is niet heel veel.

Natuurlijk gebeurd dit allemaal in een paar minuten. Ik denk dat ik ongeveer vijf minuten bezig was. Het vervelende vond ik dat mijn patiënt niet comfortabel werd, ondanks alle acties die ik deed. Nogmaals maar de vitale functies meten en dan ga ik naar de zaalarts toe. Terwijl ik de controles doe, praat ik wat met mevrouw. Ze is niet opgejaagd of gestressed, maar ze heeft het idee dat ze geen lucht krijgt. In tegenstelling tot wat ik net zag, is de pols opeens omhoog gegaan en de bloeddruk iets naar beneden. Tevens zie ik de saturatie wat naar beneden lopen. Mevrouw heeft de gehele dag al 2 liter zuurstof, maar hiermee satureert zij momenteel maar rond de 90%. Ik zet de zuurstof wat omhoog naar 4L. De saturatie stijgt naar 93%. Snel bel ik de zaalarts, leg ik de situatie uit, deel ik de controles mee en vraag ik haar om naar mij toe te komen.

Terwijl de zaalarts gaat fiberen pak ik het glucose apparaat. De suiker is niet afwijkend. Ik laat mevrouw ook nog even vernevelen. Misschien dat dit helpt om meer zuurstof op te nemen in de longen. Mevrouw is niet aan het hyperventileren, maar heeft een verhoogde ademhaling om de gewenste zuurstof binnen te krijgen. Voor de zekerheid prikken we een infuus. Deze was vanmorgen verwijderd, omdat het zo goed ging met mevrouw. Maar nu.. De hoge pols verraad dat het lichaam hard moet werken om het bloed rond te pompen. De tensie laat zien dat de kracht die het bloed uitoefent op de wanden verminderd. Deze is inmiddels weer verder gedaald. De saturatie laat zien dat het zuurstof gehalte in het bloed langzaam aan daalt. Mevrouw gebruikt onder tussen ook haar hulp ademhalingsspieren en ligt, in tegenstelling tot een paar minuten geleden, zeer oncomfortabel in bed. De arts prikt een astrup. Dit zijn veneuze bloedgassen die ons snel kunnen vertellen of mevrouw voldoende zuurstof binnenkrijgt, wat de zuurgraad (PH) is en hoeveel koolzuurgas (CO2) er in het bloed zit. De zuurstof voer ik op tot 5L en mijn collega pakt voor de zekerheid de crashkar erbij. Dit is een kar voor noodsituaties en bevat medicatie en voorwerpen die wij niet standaard op de afdeling hebben liggen. De aan adrenaline en een mayo-tube.

De fiber is een dunne slang die de KNO-arts opvoert in de neus, of de canule, om de ademweg goed te kunnen beoordelen. De fiber heeft een camera en een lichtje, waardoor er beeld te zien is van de ademweg. Dit ziet er niet afwijkend uit. Met de 5L zuurstof stijgt de saturatie naar 96%, maar mevrouw raakt weg. Ze is tijdelijk niet aanspreekbaar. Ze is zeer vermoeid en kan haar ogen niet meer open houden. Het happen naar adem kost te veel moeite. Gelukkig komt ze snel weer bij. De anesthesie loopt toevallig op de afdeling en komt mee beoordelen. De arts heeft ondertussen een spoed foto van de longen aangevraagd. Deze wordt op zaal gemaakt en er wordt een infuus gegeven van 500ml in 30 minuten. Dit om de bloeddruk iets op te laten lopen.

Na nog een keer zuigen en een aardige hoeveelheid slijm weghalen en na toediening van de 5L zuurstof, wordt mevrouw weer wat comfortabeler. Ze heeft het nog steeds erg benauwd, maar krijgt voor haar idee meer lucht dan hiervoor. De bloedgassen die geprikt zijn in de slagader zijn bekend en mevrouw is te goed om naar de intensive care te gaan. We behandelen haar verder op de afdeling. Gedacht wordt aan een longontsteking. De longarts wordt erbij gevraagd en beoordeeld mevrouw ook. Antibiotica wordt gestart, waarna mevrouw binnen een paar uur weer opknapt.

En nu het klinisch redeneren achter deze casus. Vul mij alsjeblieft aan als je denkt dat dit nodig is 😊 Ik ben gewend om mijn patiënten volgens de ABCDE-methode te beoordelen en via de SBAR de informatie door te geven aan de arts. Omdat mevrouw het gelijk al benauwd had, ben ik ook direct begonnen met de A. Ik ben hierna overgegaan op de B, deze lopen soms een beetje gelijk op. Op de C heb ik de arts al gebeld, omdat ik de situatie niet vertrouwde.

Airway

  • Mevrouw ademt gedurende de gehele situatie
  • Obstructie is niet zichtbaar in de canule . Uitzuigen voor de zekerheid. Brengt de eerste keer wat slijmproductie mee, de tweede keer veel slijmproductie die wordt opgezogen. De arts fibert om te controleren of dit onder de canule ook het geval is.
  • Mevrouw is de gehele tijd aanspreekbaar. Heeft een moment dat zij liever de ogen sluit, maar is hier dan goed in te corrigeren

Breathing

  • Ademhalingshulpspieren zichtbaar aangespannen
  • Ademfrequentie is tussen de 20 en 25 per minuut
  • Saturatie varieert van 90% tot 96% met 2L tot 5L zuurstof
  • De arts heeft geluisterd naar de longen en naar aanleiding van deze bevindingen een X-th aangevraagd.
  • De kleur van het sputum is bubbelig wit tot geel

Circulation

  • Bloeddruk is in eerste instantie 120/70, waarna deze na de derde keer meten daalt tot 79/45. Bij de laatste waarde wordt een fluid challenge van 500cc in 30 minuten toegediend. Infuusnaald werd dus ook ingebracht
  • De pols varieert van 90 tot 110, regulair, goed voelbaar
  • Capillaire refill is onveranderd (2sec), extremiteiten voelen ook warm aan

Disability

  • Bloedsuiker wordt voor de zekerheid gemeten, is niet afwijkend
  • Pupilreflex is reactief, 2 mm
  • Geen meningeale prikkeling. Mw. Kan de kin op de borst leggen, heeft geen hoofdpijn.
  • EMV is maximaal, op een moment na.

Exposure

  • Temperatuur is 37,5 onder paracetamol
  • Geen huidafwijkingen, anders dan passend bij de operatie, te zien
Blog serie vpk-studenten uitval 3/3

Blog serie vpk-studenten uitval 3/3

Blog 3: Ik stop ermee

‘Kan je even de datascoop pakken en langs alle patiënten van de afdeling gaan?’ werd mij gevraagd in mijn eerste stage week op een verpleegafdeling van een groot academisch ziekenhuis.

Ik was net leerling en zo gemotiveerd om een goede verpleegkundige te worden. En ik was zo blij dat ik was aangenomen in het ziekenhuis wat mijn eerste keuze was. Maar op dit moment werd het even zwart voor mijn ogen.

‘Wat is een datascoop?’ Vroeg ik.

Verkeerde vraag.

Ik werd aangekeken alsof ik dom was en de verpleegkundige die mij begeleidde zei: ‘Als je dit niet weet, dan kan je beter je spullen pakken en terug gaan naar school. Ik denk dat jij nog niet klaar bent om stage te lopen in een ziekenhuis.’

Oh wat hakte die reactie erin. Ik ben van nature best onzeker. Tijdens mijn stages hiervoor vond ik het altijd best eng om een handeling te doen. Ik ben het type wat eerst een paar keer meekijkt, dan even oefent, dan de handeling uitvoert in de praktijk en het na een paar keer te doen, het daarna pas alleen doet. Door deze reactie voelde ik mij niet goed genoeg en dit heeft mij deze hele stage achtervolgt. Dit betekent dat ik hierdoor een half jaar lang onzeker was over mijn eigen handelen.

Ik moet zeggen dat ik deze stage sowieso niet als prettig heb ervaren. Er werd van mij verwacht dat ik na een paar weken al een eigen kantje kon draaien. Dit waren ongeveer zes tot acht patiënten. Drie weken zijn negen diensten. Dit betekent dat ik in negen diensten van het begrip datascoop naar de coördinatie van zes patiënten toe moest groeien. Onmogelijk. Zeker voor een derdejaars leerling die net om het hoekje komt kijken in de ziekenhuiswereld.

Ik had mijn baantje in de thuiszorg en bij de Albert Heijn opgezegd om mij volledig te kunnen focussen op mijn duale baan. Ik voelde veel verantwoordelijkheid. Er kwamen immers hele zieke mensen naar het ziekenhuis en tijdens mijn dienst was ik als de dood dat ik een fout maakte. Dit maakte mij gek en hierdoor dacht ik maar aan één ding. Ik wilde stoppen met de opleiding. Het ging op school heel goed, maar deze stage vond ik vreselijk. En dat wat ik deed op stage, dat was immers mijn toekomstige baan, toch?

Tijdens deze stage heb ik geleerd voor mijzelf op te komen en mijn grenzen aan te geven. Ik wilde niet zo snel de verantwoordelijkheid over alle patiënten hebben, maar wilde het op mijn tempo doen. En dit tempo was ook het tempo van school. Na gepraat te hebben met mijn vriendinnen van de opleiding, en wederom mijn moeder, besloot ik te gaan praten met mijn stagebegeleider van deze afdeling. Dit gesprek had een hele nare sfeer en ik voelde mij totaal niet gehoord. Ik denk dat dit de rode draad van mijn stage periode was. Het duurde trouwens ook ongeveer zes weken voordat ik durfde te praten. Dit betekende dat ik al enkele weken in hun ogen ‘niet goed’ functioneerde, omdat ik niet mijn zes tot acht patiënten kon coördineren.

Er werd niets gedaan met mijn gevoel en mening. Dus ik schakelde de instellingsdocent van de hogeschool Rotterdam in. Deze docent vond het ook opmerkelijk hoe er met ons leerlingen werd omgegaan op de afdeling. Hij sprak de regie verpleegkundigen hier op aan, nam het voor mij op tijdens beoordeling en uiteindelijk heb ik na een half jaar de stage met hakken over de sloot afgerond. Ik vond het verschrikkelijk om een zes op mijn cijferlijst te hebben voor het geen wat ik later op een dagelijkse basis, als mijn beroep, moest uitoefenen.

Mede doordat ik de stage maar net gehaald had, en zeker door de negatieve feedback die ik dagelijks te horen kreeg, dacht ik dat ik het nooit zou bereiken om een goede verpleegkundige te zijn. Ik zag mijn toekomst nog steeds somber in en zag dit alles als falen.

Gelukkig moet je als duale student na een half jaar ruilen van afdeling binnen het ziekenhuis. In het tweede halfjaar van mijn derde leerjaar kwam ik op de Snijdende Oncologische Groep van het Daniel den Hoed. Hier werden ook hoofd en hals patiënten opgenomen en geopereerd. Ik vond de zorg waanzinnig leuk en kreeg in de eerste weken leuke en opbouwende feedback. In de eerste weken was ik stil, durfde ik maar weinig en hield ik mij op de achtergrond. Voor de mensen die mij kennen, weten zij dat dit niets voor mij is. Na die eerste weken kon ik door de complimenten die ik kreeg mij wat losser gedragen. Mijn begeleider viel dit op en ging met mij in gesprek. Ik vertelde over mijn nare ervaring op de vorige afdeling. Haar mond viel open van verbazing. Zij vertelde mij juist dat zij mij al eigen patiënten wilde geven omdat het zo goed ging.

Alles ging opeens 360 graden de andere kant op. Ik werd gewaardeerd, was onderdeel van een team, mijn collega’s hadden vertrouwen in mij en ik overzag alles wat ik deed. Ik had zelf vertrouwen en durfde steeds meer zelf op te pakken. Oh wat ben ik blij dat ik heb doorgezet. Een mindere stage maakt je in de toekomst geen mindere verpleegkundige. Ik denk dat je hier alleen maar van leert.

Mijn visie op zorg (en die van de patiënt)

Mijn visie op zorg (en die van de patiënt)

Protocollen zijn er om nageleefd te worden, richtlijnen om ons aan te houden. Maar, tussen die regels door, kunnen we zelf die leegte invullen op een manier zoals wij dat graag zien. Of zoals ik dat graag zie. Want, wat ik de best mogelijke zorg vind, kan mijn patiënt toch echt zien als zorgverlening die niet in zijn straatje past. Wat mijn collega ziet als verschrikkelijke zorgverlening, kan ik misschien wel gepast vinden. Iedereen is anders. Iedereen heeft een ander normen en waarden pakket gekregen.

Bij mij op de afdeling heb ik er soms moeite mee dat bepaalde patiënten ervoor kiezen om wel een operatie te ondergaan. Dan bedoel ik niet een simpele operatie, maar een grote operatie. Met grote gevolgen en een hoog risico. Dit zijn autonome mensen. Die ziek zijn en kanker hebben. En dus zelf een keuze mogen maken over wat zij de beste behandeling vinden. Maar soms denk ik dat de gevolgen van de behandeling zo groot zijn, dat de kwaliteit van leven afneemt. En soms denk ik, dat als ik in hun schoenen had gestaan, ik misschien die keuze niet gemaakt zou hebben. Misschien had ik ervoor gekozen om niet op een aantal maanden extra te hopen door een grote ingrijpende operatie en te genieten van de laatste maanden die ik dan had. Zonder een ziekenhuisopname voor de operatie, zonder dat ik door de operatie kwaliteit van leven inlever. Maar wat is kwaliteit van leven? En laten we wel eerlijk zijn. In de meeste gevallen snap ik de patiënten helemaal, en zou ik hetzelfde doen. Ik denk dat we allemaal wel zo’n casus kunnen bedenken als ik net beschreef.

En dan de andere kant op. De zorg verlening. Ik heb een aantal jaren geleden een leerling gehad die aan mij vroeg het een driewegkraantje op een infuus moest worden gedraaid. Dit is een relatief simpele handeling, waar wij als verpleegkundigen niet echt over na denken. Routine werk. Ik zou het kraantje op de infuuslijn draaien, als die er hangt. En dan het kraantje laten vollopen met de infusie vloeistof. Als deze niet gekoppeld zit aan het infuus. Ik denk in het kader van patiënt vriendelijkheid (niet aan het lichaam sjorren) en kostenbewust (de middelen gebruiken die je toch al hebt). Dit legde ik deze leerling uit. Die vroeg het vervolgens aan mijn collega en mijn collega vertelde hem dat het heel simpel was. Je gebruikt een flush. Dit is een kant en klare infusiespuit met 0,9% NaCl. Met deze spuit kan je zo het driewegkraantje doorspuiten en hierna aan het infuus koppelen. Deze collega dacht in termen als makkelijk (niet hoeven wachten op een infuus wat doorloopt in het kraantje) en patiënt vriendelijk (wederom niet aan het lichaam sjorren). De leerling wist niet wat de beste optie was, dus legde beide opties voor aan een andere collega. Die vroeg waar het driewegkraantje voor nodig was. Deze dacht in eerste instantie aan, ook het kostenplaatje en effectieve zorg. De zorg leveren die de patiënt moet krijgen. Het driewegkraantje was wel degelijk nodig, om een ander infuus op aan te sluiten. Iets was toen nog niet op de infuuslijn zelf kon. Tegenwoordig hebben we gelukkig lijnen waarbij dit wel kan. Al met al. Het driewegkraantje was nodig en de leerling had twee opties gehoord. De derde optie was nog niet gegeven door de derde collega. Die vroeg juist: ‘maar wat zou jij doen?’. De leerling moest denken en zei: ‘Dat weet ik niet’. Ik voegde mij bij het gesprek en vertelde tegen de leerling dat het mij niet uitmaakte, zolang hij zijn standpunt maar goed kon uitleggen. De leerling ging het driewegkraantje bevestigen en mijn collega’s en ik praatte over onze waarden en visie van zorgverlening. Wat zo’n klein dingetje wel niet kan veroorzaken.

Dat normen en waarden pakket begint al bij de geboorte, wanneer je geboren wordt met jouw specifieke DNA wat er voor zorgt dat jij bepaalde dingen belangrijk vind. Denk aan orde, overzicht of juist gezelligheid en sociaal contact. Hierna gebeurd er iets magisch. Onze ouders/verzorgers laten ons op de manier opgroeien die zij het beste achten. En in deze manier zitten normen en waarden geweven. Zij vinden dingen. Je mag niet stelen, lief zijn voor je medemens en geen snoepjes aannemen van vreemden. Deze dingen vertellen zij aan jou en als kind neem jij deze waarheid aan. Dan komt wat later de maatschappij. De dingen die je ziet, die je meemaakt, educatie, vrienden en familie. Zij vinden ook dingen. Het wordt jou verteld en ze laten het je zien. In hun handelen. Op verjaardagen, tijdens afspraken, in de klas of tijdens een vergadering. De dingen die jij ook belangrijk acht neem je mee. Jij vormt jouw eigen normen en waarden. En met dit mooie pakket kever jij de beste zorg. De beste zorg in jouw ogen.

De meeste zorginstellingen hebben een visie. Meestal gericht op de laatste maatschappelijke veranderingen en de patiënt. De visie representeert de richting die een instelling op wilt. Het Erasmus MC heeft nu een visie geschreven voor 2023. Deze heet koers 23. Hier zal ik je niet meer over vertellen, tenzij je dit heel graag wilt weten.. dan mag je mij een berichtje sturen 😉 Maar waarom is die visie belangrijk? Het geeft sturing aan de processen binnen een ziekenhuis. Van een aanmelding bij een poli bezoek tot ontslag na een klinische opname. Hoe dienen de verpleegkundigen (en andere zorgverleners) om te gaan met de patiënt. Volgens die visie.

Dus het is enkel belangrijk binnen de organisatie of instelling? Uhm, nee. Ik denk van niet. Jouw persoonlijke visie is gebaseerd op jouw normen en waarden. En jouw missie. Hoe komt het dat jij de zorg bent ingegaan? Wilde je enkel zo graag ‘mensen helpen’ of zit er meer achter die gedachten?

Als ik terugdenk aan het afstuderen op de middelbare school, was het voor mij meer dan logisch om met mijn natuur en gezondheid profiel de gezondheidszorg in te gaan. Verloskunde was mijn eerste keus, maar uiteindelijk werd het verpleegkunde en hier heb ik tot de dag van vandaag geen spijt van. Een goede school uitkiezen deed er in mijn tijd minder toe. Ik ging naar de dichtstbijzijnde hoge school en dat was die van Rotterdam. Vroeger wilde ik al dierenarts worden, maar ik vond het aspect van praten toch wel fijn. Dat lukt niet echt met dieren. Om die reden wilde ik het ziekenhuis in. Zorgen voor baby’s leek mij leuk. En de zorg voor de ouders. Uiteindelijk begreep ik na mijn eerste stage waarom ik de zorgverlening zo leuk vond. Ik vond het mooi. Ik kon wat meegeven aan de patiënten, hun familie en naasten. Iets wat niet iedereen kan. Ik kom zo dicht bij de mensen in de buurt, hoor en zie dingen die misschien de beste vrienden geen eens weten of mogen zien. Ik kan de mensen steunen in de moeilijkste tijden en tijdens het sterven nog een mooie tijd meegeven of het lijden verlichten. Wat is er nou mooier dan dit te kunnen doen? Er op deze manier voor jou patiënten er te zijn. Dit maakt dat ik in de verpleging wilde en nog steeds wil blijven.

Mijn visie is dus gericht op humane zorg. Zorg die gericht is op de patiënt. Het uitvragen van behoeften, mij aanpassen en iedereen als gelijke benaderen. En niet enkel de patiënt, maar ook familie en naasten. Hiernaast vind ik wetenschappelijke onderbouwing, nadenken over je handelen en dit kunnen uitleggen aan je collega’s heel belangrijk. Het leren van elkaar en hiermee de best mogelijke zorg leveren. En natuurlijk zijn er nog meer dingen, zoals gezelligheid met je collega’s, en noem maar op, maar dit zijn de eerste dingen die mij nu te binnen schieten, dus zal dit wel het belangrijkste zijn.

Heb jij hier wel eens dieper over nagedacht? Wat maakt dat jij in de ochtend je bed uit stapt en zin hebt om te gaan werken (of juist niet)? Hoe komt het dat jij gemotiveerd bent om goed werk af te leveren. En wat is dan dat goede werk? Past deze visie die jij hebt wel binnen het team waarin jij werkt? Binnen de organisatie? En heb je het hier wel eens over met je collega’s? Zoveel vragen. Ik ben benieuwd en hoop dat ik jou tot nadenken en misschien wel tot het realiseren van bepaalde inzichten heb gezet!

10 dingen die elke verpleegkundige herkent

10 dingen die elke verpleegkundige herkent

1. De: ‘Ik ben zo bij je terug’

Als je eenmaal even rondloopt in het ziekenhuis (of een andere zorginstelling, denk ik), leer je dat je deze zin niet moet gebruiken. Ik heb het laatst nog gebruikt bij een patiënt. Het was een relatief rustige dag en ik dacht dat de drukte van de gang mij niet zou opzuigen. Fout gedacht. Eén stap op de gang en het was al raak. Aan de overkant kwam er bezoek een kamer uit gelopen. Of ik even ergens naar kon kijken op die kamer. En terwijl ik naar de overkant van de gang liep, kwam er een collega naar mij toe om te vragen of ik een infuus kon prikken. Eenmaal klaar op de kamer en onderweg naar de verbandkar om een verbandje uit te pakken. Het geen waarvoor ik de kamer had verlaten, ging er een patiënten bel. Tien minuten later was ik terug op de kamer en zat het infuusje prikken alweer in mijn hoofd om te gaan doen.

2. Je hoofd is nooit leeg

Zoals hierboven genoemd heb je altijd wel iets in je achterhoofd om te doen. Is het niet je hele to-do lijst afwerken van die dienst, dan is het wel een roosterprobleem oplossen omdat er een zieke is, je werkmail bijwerken (want, wanneer heb je daar tijd voor) of aan je werkgroepen zitten

3. De marathon lopen

Niet letterlijk natuurlijk. Dat is denk ik nog een grotere prestatie dan 5 nachtdiensten achter elkaar werken. Maar tijdens een dienst loop ik mijn benen uit mijn lijf. Ik denk dat ik op werk altijd wel rond de 10.000 stappen loop, behalve natuurlijk wanneer het rustig is. Vaak doen mijn voeten zeer van al het lopen en zie je aan het einde van de dienst mijn sokken in mijn enkels staan.

4. Vrolijk zijn in je nachtdienst.. op werk

Oh wat vervloek ik mijzelf hier soms om. Ik word wakker na mijn nachtdienst en ben knap chagrijnig. Er is geen land met mij te bezeilen. Het enige wat ik kan is Netflix kijken en eten, want ik heb geen energie. Maar dan gebeurd er iets magisch. Ik stap op mijn fiets richting werk en opeens op werk heb ik energie. Ik lach, kan honderd uit vertellen en maak grapjes met mijn collega’s. Meestal maken we dan grapjes over hoe we thuis hebben lopen zeuren en hoe onredelijk we zijn geweest, terwijl we nu zo goed in ons vel zitten.

5. Afspraken maken met je vrienden

Als ik vraag aan een vriendin om een afspraak te maken, kijken we meestal al een maand verder. Onregelmatig werken is leuk voor de onregelmatigheidstoeslag, maar daar houdt het ook bij op. De weekenden dat ik vrij ben zijn er maar twee in een maand en deze zijn vaak al helemaal vol gepland. Het wordt trouwens nog erger als ik met een collega wat wil plannen, dan moeten we vaak al drie maanden verder kijken.

6. Je patiënten naar het toilet brengen, maar het zelf vergeten

Rond het middageten bedenken wanneer je voor het laatst het geplast, terwijl je ondertussen al je patiënten uit bed hebt gehaald, naar het toilet hebt begeleidt en hebt gedoucht. Eenmaal op het toilet aangekomen tel je uit dat je ongeveer zes uur niet geplast hebt en aan de kleur van je urine te zien kan je ook wel iets meer vocht binnen krijgen. Oeps.

7. Super snel je maaltijd naar binnen werken

En wanneer het dan eindelijk avondeten pauze is en jij je lekkere opwarmmaaltijd of prakje van thuis hebt opgewarmd, moet je het maar snel naar binnen werken om ervoor te zorgen dat je het nog warm kan opeten. Sommige collega’s nemen al brood mee. Het is eigenlijk te gek voor woorden, maar in de pauze kunnen wij vaak niet op ons gemak zitten, want altijd belt er wel een patiënt. En deze bellen zijn ook terecht. Een infuus wat omgezet moet worden omdat de antibiotica om een exacte tijd gegeven moet worden, iemand die benauwd is, iemand die vragen heeft, familie die wat wilt weten, of iets anders wat niet even kan wachten. En om die reden schuif je het maar snel naar binnen toe, want dan heb je tenminste nog wat voeding gehad. Voordat je hangry wordt..

8. De DOS uitvragen, maar zelf niet weten welke dag het is

Dit overkomt mij best vaak. Op het moment dat ik de delier observatie score (DOS) uitvraag bij een patiënt, moet je onder andere ook vragen welke dag het is. Als de patiënt dan bijvoorbeeld op de woensdag zegt dat het woensdag is, maar jij net twee dagen vrij bent geweest, dus het aanvoelt als een maandag en jij daardoor niet meer weet welke dag het is, kan je beter de DOS bij je zelf afnemen, dan bij de patiënt.

9. De meest vieze verhalen vertellen onder het eten

In geuren en kleuren kan ik aan de eettafel vertellen wat ik die dag gezien heb. Van geslachtsdelen tot de consistentie van de ontlasting en van bloederige verhalen tot het omschrijven van de meest vieze wonden. Ik kan het aan, mijn niet-ziekenhuis vrienden niet. Mijn moeder al helemaal niet. Die trok vroeger al wit weg als ik vertelde dat ik een naaldje had ingebracht bij een patiënt.

10. Het oefenen op je vrienden en familie

Kom op, dit doen we stiekem toch allemaal? In mijn leerlingen tijd had ik een setje meegenomen om bloed af te nemen. Trots vertelde ik dit op mijn verjaardag. Je kan je dus al voorstellen dat mijn moeder zich distantieerde van de situatie, maar mijn beide oma’s bode zich aan. Hiervan heb ik geleerd hoe het is om bloed te prikken, maar ook heb ik geleerd dat je altijd moet vragen of iemand anti-stolling gebruikt (ik was dit even vergeten), want anders wordt het wel een erg bloederig geheel.

En zo kan ik misschien nog wel even doorgaan. Heerlijk vind ik dit. Maar realiseer je alsjeblieft wat ik hier zeg, dat dit klopt. De werkdruk is hoog, we worden overvraagd en zijn soms een beetje de weg kwijt. Maar aan de andere kant gebeurd dit allemaal ook niet dagelijks. Het gaat om de balans, toch?